Bloemen 2
Vul een subtitel in

                                                                  Grote kaardenbol

                   Grote kaardenbol : Dippsacus fullonum

<<<<<<Grote kaardenbol heette vroeger Weverskaarde, een naam die verwijst naar de wolwevers die de wol eerst kaarden voor het spinnen ervan. Bij het kaarden worden de wolvezels ontward of gekamd met behulp van een kam met stalen pinnen. Vroeger werden daarvoor de min of meer bolvormige vruchten van de Kaardenbol gebruikt, eigenlijk de stevige omwindselbladeren en de stroschubben van het bloemgestel. De naam is daarmee duidelijk verklaard. Weliswaar werden die bolvormige vruchten niet zo zeer gebruikt om grote hoeveelheden wol te kaarden, maar vooral om geweven, wollen kledingstukken zorgvuldig af te werken, wat overeenkomt met kaarden op kleine schaal>>>>>> 

Walter Deconicnk 2019

De grote kaardenbol uit de kamperfoeliefamilie met zijn grote stekelige hoofdjes en lila bloem is voor de determinatie niet te missen. Die lila bloem is wel een bijzonder verschijnsel want ze begint in het midden van de bol te bloeien en verspreidt zich vervolgens in 2 ringen omhoog en omlaag over de bol. In de vergroeide bladvoet vangt de grote kaardenbol water op dat als een soort waterbekken voor de langere termijn zijn overlevingskansen vergroot. Hieraan dankt de plant ook zijn wetenschappelijk naam. Dipsacus komt van het Griekse dipsacein en betekent dorst hebben of dipsoa = dorstig.. De grote kaardenbol kan tot 2 meter hoog worden en is bij voorkeur te vinden op kalkhoudende gronden. De naam kaardenbol komt van het Latijn carduus dat distel betekent. Alle delen van de plant, met uitzondering van de wortel, zijn bezet met stekels. Verder vergelijk met distels is niet aan de orde want distels behoren tot de composietenfamilie. De soortnaam fullonum betekent wever en verwijst naar de wolverwerking. Ik vond hier een fantastische uitleg over van Walter Deconinck uit Kortrijk, hiernaast links midden cursief weergegeven.

De grote kaardenbol is te vinden van juli tot augustus en dan bedoel ik de bloeiende kaardenbol. De lila bloem heeft een hoog nectargehalte en dat trekt heel veel insecten aan. Het loont de moeite de plant eens een half uur te observeren en te zien hoeveel insecten deze plant bezoeken. Ook zaadetende vogels, zoals putters, zullen deze plant niet links laten liggen. Wat er na de bloei resteert zijn grote bruine hoofdjes die ik graag onder de noemer  wonderschone vergankelijkheid zou willen kwalificeren (foto links) Een andere soort kaardenbol is de kleine kaardenbol (D. pilosus) die zeldzaam is. De noordgrens van het verspreidingsgebied ligt in Limburg en daar is de plant dan ook meer te vinden. De wortel van de kaardenbol wordt al eeuwenlang gebruikt in de Chinese geneeskunde. De wortel wordt gezien als hét middel voor het gezond houden van lever en nieren. Hildegard von Bingen (1098-1179) heeft het in haar tijd al over de gifuitdrijvende werking van de kaardenbolwortels. (Buch von den Pflanzen)

                                                                        Look-a-likes

                          Wilde bertram : Achillea ptarmica

De wilde bertram heeft ongedeelde bladeren met een scherpe zaagrand. De bloemhoofdjes lijken op het eerste gezicht erg op die van het duizendblad maar ze zijn groter en de lintbloemen van de wilde bertram zijn ook groter. Een ander opmerkelijk verschil is dat de wilde bertram eerder op nattere plaatsen (vroegere naam : moerasduizendblad) te vinden is en het duizendblad minder kieskeurig is. De wortelstok van de wilde bertram kan gebruikt worden tegen kiespijn. Ptarmica komt van het Grieks ptario dat niezen betekent. Van de wilde bertram kan poeder gemaakt worden waarmee niesreflexen opgewekt kunnen worden (Engelse naam : sneezewort) De naam bertram is volksetymologisch aangepast aan een persoonsnaam en waarschijnlijk van de frankische persoonsnaam Chramnus.

De plantenwereld zit er eigenlijk vol mee. Look-a-likes, waarvan we denken dat het de ons bekende soort is, maar bij nadere inspectie de soort toch net even iets anders blijkt te zijn. Het zijn er teveel om op te noemen maar het loont de moeite er toch een paar onder de loep te nemen. Het duizendblad zal iedereen wel kennen met zijn schermvormige tuilen, die in juli en augustus langs elke bermrand wel te vinden is. Deze composiet doet zijn wetenschappelijke naam millefolium wel eer aan want dat betekent letterlijk "duizend bladeren". Het dubbel veerdelig blad lijkt uit heel veel kleine blaadjes te bestaan. De plant heeft geneeskrachtige werking en daar refereert Achillea ook naar. De wonden van de soldaten uit het leger van Achilles werden met deze planten verzorgd. Misschien was ik al een paar keer voorbij de wilde bertram gelopen alvorens ik in de gaten had dat deze composiet er  iets anders uitzag dan het duizendblad. En de plant nader bekeken veel anders oogde qua bladstructuur. 

                           Duizendblad : Achillea millefolium

                                                                  Kleverige ogentroost

             Kleverige ogentroost : Parentucellia viscosa

De tegenoverstaande bladeren zijn langwerpig, spits, grof getand en niet gesteeld en vormen met de opvallende bloem een goed kenmerk voor determinatie (foto rechts) Parentucellia is genoemd naar Tomasa Parentucelli (1397-1455), een Italiaan, die het van leraar tot paus schopte (Nicolaas V) Viscosa betekent kleverig en verwijst naar de vele klierharen die over de hele plant aanwezig zijn. Het parasitisme van de bremraapfamilie bestaat eruit dat ze hun voedingstoffen gedeeltelijk uit andere gewassen halen. Dat zijn dan meestal grassen en graansoorten. Dit verschijnsel heet halfparasitisme. Vaak zie je dat in de omtrek van waar deze planten staan de omringende gewassen laag blijven, omdat er voedingsstoffen aan zijn onttrokken. 


De kleverige ogentroost is een eenjarige plant uit de bremraapfamilie.(Orobanchaceae) Die familie staat bekend om zijn parasitisme. Andere hier behandelde vertegenwoordigers uit deze familie zijn o.a. het moeraskartelblad en de grote en kleine ratelaar. Er zijn verschillende soorten ogentroost die tot de bremraapfamilie behoren maar tot een ander geslacht behoren. De kleverige ogentroost is de enige vertegenwoordiger van het geslacht parentucellia. De bloem is tweeslachtig, dat wil zeggen dat ze zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen heeft. De onderlip is veel langer dan de bovenlip en wordt gekenmerkt door drie spatelvormige slippen. Deze ogentroost is vrij zeldzaam en wordt vooral in Brabant en de kustgebieden aangetroffen. Ik kwam een 6 tal van deze planten tegen in het Moergestels broek. De naam ogentroost kent verschillende soorten uitleg. Een versie zegt dat de plant een bekoorlijk aanzien had, een lust voor het oog en men met de aanblik ervan in een blijmoedige stemming kwam. Ik kan die uitleg wel onderschrijven, hoewel ik vermoed dat de tweede uitleg meer plausibel is. In vroegere tijden werd de ogentroost gebruikt voor medicinale doeleinden en dan met name voor oogziektes.   

                                                                    Zandblauwtje

              Zandblauwtje : Jasione montana

Aan die stijl zit een klompje stuifmeel dat door insecten verzameld wordt. Deze eigenschap treft men ook bij de composieten aan. Jasione komt van het Griekse iasis dat genezing betekent. Opmerkelijk gegeven daarbij is dat de plant ooit opgehemeld is als genezend kruid, maar dat dat in de loop der tijden ernstig afgezwakt is. Thans is het zandblauwtje als apothekerskruid niet meer in beeld. Montana betekent van de bergen. De plant is van nature een rotsplant. Het zandblauwtje is een één tot tweejarige plant die, naar mijn ervaring, het ene jaar in grote getalen aanwezig is en in andere jaren volledig ontbreekt.

Een tweezaadlobbige plant uit de klokjesfamilie (campanulaceae) die goed gedijt op droge zandgronden is het zandblauwtje. De plant houdt absoluut niet van bemesting. Het zandblauwtje staat zelden alleen en ontwikkelt een mooi, weliswaar dun, blauw tapijt tegen de contouren van de droge ondergrond. Het zandblauwtje wordt veel door hommels en bijen bezocht, zoals de aardhommel op de foto hiernaast. Deze insecten zorgen voor de bestuiving en uiteindelijke bevruchting. Er is zelfs een bij, de ernstig bedreigde zandblauwtjesglansbij, die geheel afhankelijk is van deze plant. Zandblauwtjes vormen in beginsel een kokertje waardoor de stijl naar boven komt. 

                                                                   Gele maskerbloem

                 Gele maskerbloem : Mimulus guttatus

De gele maskerbloem dankt zijn naam aan het uiterlijk van de bloem. De vorm van de kroonbladen en de rode vlekken zouden gelijkenis vertonen met een Romeins masker. Ik zou zeggen test u fantasie bij de foto's. De geslachtsnaam mimulus is het verkleinwoord van mimus dat toneelspeler betekent. Dit is een verwijzing naar het reeds aangehaalde masker. Guttatus = met druppels of vlekken. De gele maskerbloem bloeit van juni tot september. Het is een tweeslachtige plant die goed gedijt op natte bodems of op zomers drooggevallen stukken. De gele maskerbloem heeft een doosvrucht. De zaden worden door water meegevoerd. 

Een natuurgebied dat de moeite van het bezoeken zeker waard is, is de Biestse Gemeynt. Een deel van dat gebied was 15 jaar geleden nog onderhevig aan intensieve landbouw, maar is thans een pareltje in het Brabantse land. Aangenaam verrast trof ik daar de gele maskerbloem aan die met een 50 tal planten achter een talud post hadden gevat. Geen alledaagse verschijning. De plant komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika en is via Schotland verder Europa in verwilderd. De plant valt direct op door de klokvormige bloemkelk én de roodbruine vlekken in de behaarde keel. 

                                                                          Bolderik

              Bolderik : Agrostemma githago

Het rivierengebied en Limburg herbergt er nog een paar en verder moet je geluk hebben de bolderik nog tegen te komen. In het wild dan, want ze worden thans ook als tuinplant aangeboden. Bolderik staat bekend als een akkeronkruid. Gezien het feit dat de hele plant giftig is én het gegeven dat zaden heden ten dagen veel beter gezuiverd worden alvorens ingezaaid te worden is de bolderik in de traditionele velden niet meer te vinden. Vroeger was de bolderik, vanwege die giftigheid, een ware plaag voor boeren als de plant in de graanvelden stond. Agrostemma is een samentrekking van het Griekse agros = veld en stemma= krans. Githago is Latijns voor git en duidt op de kleur van de zaden (gitzwart) De naam bolderik komt van verwijst naar de bolle zaaddoos die de plant bezit. De uitgang -ik was in vroegere tijden een verkleiningsvorm.

                                                                      Wilde akelei

            Wilde akelei : Aquilegia vulgaris

Vergelijk eenslachtig, waarbij mannelijke bloemen alleen meeldraden hebben en vrouwelijke bloemen alleen stampers (of stijlen of stempels). Het blad is gesteeld, dat wil zeggen dat het min of meer gescharnierd is t.o.v de eigenlijke steel, met gelobde randen. De bovenkant van het blad is groen de onderkant is blauwgroen en behaard. De wilde akelei is een plant die begin april al tot bloei komt. Het is een overblijvende plant en die ik nu voor het 2e jaar op dezelfde plek tegen ben gekomen.  

De wilde akelei komt uit de ranonkelfamilie waar o.a. de boterbloemen ook deel van uit maken. De wilde akelei heeft de mooie eigenschap dat de bloemkroon als een soort waterreservoir kan dienen. De soortnaam aquilegia verwijst daar ook naar. Aqua = water en legere = verzamelen. De familienaam vulgaris betekent algemeen, hoewel ik dat voor het Brabantse landschap toch wel durf tegen te spreken, want zo vaak kom ik de wilde akelei niet tegen. De plant heeft een tweeslachtige bloem wat  betekent dat de bloem zowel stampers als meeldraden heeft,.

                                                                  Rotsooievaarsbek

   Rotsooievaarsbek : Geranium macrorrhizum

De rotsooievaarsbek heeft een kluisvrucht. Dat wil zeggen dat er maar een zaadje in het kapsel aanwezig is. Bij meerdere zaden in een kapsel spreken we van een doosvrucht. Geranium komt van het Griekse geranios dat kraanvogel betekent, verwijzend naar de op de snavel van een kraanvogel gelijkende vrucht. Macrorrhizum wil zeggen met lange wortels. De plant kan vanwege die lange wortels droge periodes goed doorstaan.

Een plant die ik de afgelopen twee jaar in drie afzonderlijke natuurgebieden ben tegengekomen is de rotsooievaarsbek. Opmerkelijk genoeg stonden al deze planten in het bos, redelijk verstoken van zonlicht (en rotsen) maar ondanks dat woekert deze kleurenpracht aardig door. Het is van origine een plant uit de bergstreken van Zuid-Europa die het wonderwel goed doet in Brabant. Het is een meerjarige plant, die allengs verwilderd is. Behalve de verschillende tinten paars valt de bloem ook op door de lange stijlen en meeldraden die ver buiten de bloem uitsteken

                                                               Grote waterranonkel

    Grote waterranonkel : Ranunculus peltatus

De familienaam peltatus betekent schildvormig en verwijst vermoedelijk naar het drijvende blad. De grote waterranonkel is een één- tot tweejarige plant die aardig door kan woekeren. De plant geeft veel zuurstof af aan het water maar na de bloei sterft ze volledig af tot aan de wortel. Daarna kan het weer een jaar duren voordat de prachtige bloemen weer aan het wateroppervlak verschijnen. De bloem is tweeslachtig en bloeit van mei tot diep in augustus. Waterranonkel is minder kieskeurig dan bijvoorbeeld waterviolier die alleen in kwelwater gedijt.

Als ik in de verte de witte sprei van de  waterranonkels zie, word ik altijd vrolijk. Pas als je dichterbij komt weet je welke ranonkel het water opluistert, want er zijn verschillende ranonkels, met hun eigen specifieke kenmerken. De grote waterranonkel zien we (waarschijnlijk) het meest. De bloemen van 3 tot 5 cm zijn onmiskenbaar voor de soort en een ander kenmerk is, dat de, meestal, 5 lobbige bladeren op het water drijven. Bij de fijne waterranonkel zijn de drijvende bladeren 3 lobbig en zijn de bloemen veel kleiner. De naam ranonkel is een afgeleide van het Latijnse ranunculus dat kleine kikvors betekent. De veronderstelling leefde dat daar waar kikkers zaten ook de waterranonkel voorkwam (of andersom)

                                                                       Muizenoor

                 Muizenoor : Hieracium pilosella

De soortnaam hieracium verwijst er ook naar, want die komt van het Grieks hierax = havik. Volgens de Romeinen aten haviken het zaad van muizenoren om een scherper gezichtsveld te krijgen. Pilosella betekent, een weinig behaard. Het muizenoortje dankt zijn Nederlandse naam aan de spatelvormige bladeren (foto onder) die donzig behaard zijn en het blad van onderen grijs wit kleuren. Daarmee lijkt dat blad inderdaad op het oor van de muis. De bladeren vormen een rozet die op de grond liggen, de stengel zelf is bladloos. 

Muizenoor staat ook bekend als een adjuvans. Een adjuvans is een stof die de werkzaamheid van ander kruiden versterkt zonder zelf werkzaam te zijn. Het muizenoortje bloeit van mei tot in oktober en is het beste te vinden op open plaatsen. Onder de vlinders en bijen is het een gewilde nectarplant. Bijen zoals de roetbijen zijn geheel afhankelijk van dit soort composieten. Ook als waardplant is het muizenoortje in beeld. Het groentje en de muizenoorvedermot leggen hun eitjes in de bloemknop. Op de plek waar ik honderden muizenoren zag staan viel het mij op dat er een flink aantal citroenvlinders aanwezig waren die bijna beurtelings voor de nectar gingen.  

"Kijk opa", zei mijn kleindochter, "daar staan nog veel meer paardenbloemen". Het doet me deugd dat deze 10 jarige dreumes ongedwongen interesse in de natuur toont en dat die veronderstelde paardenbloemen dan muizenoren waren kan ik haar niet kwalijk nemen. Ik moet zelf ook nog steeds mijn veldgids erbij halen om al die gele composieten uit elkaar te houden en bij het muizenoortje komen ook nog sub variaties voor die kruisen met havikskruid. De tijdlijn helpt enigszins bij het determineren, want het muizenoor is vroeger dan bijvoorbeeld leeuwentand en biggenkruid, maar er komt een moment van overlapping. Het muizenoortje behoort tot de familie van de composieten, maar het geslacht is havikskruid. 

Maar ook de bloem heeft een significant kenmerk en dat zijn de rode strepen aan de buitenkant van de lintbloemen én de omwindselbladeren die zwarte klierharen hebben. (foto hierboven) Het muizenoor is in de volksgeneeskunde een vroeger gebruikt kruid voor met name vochtafdrijving. Maar muizenoor heeft meer in zijn mars. Ook voor aandoeningen aan het spijverteringskanaal en luchtwegen wordt het muizenoor door fytotherapeuten nog gebruikt. 

                 Citroenvlinder op muizenoor

                                                                         Serradelle

                Serradelle : Ornithopus savatis

Seradelle is daarvoor een beetje uit het zicht geraakt omdat het vroeger vaak met graan als dekvrucht gezaaid werd en graan is allang geen primair gewas meer in Brabant. Serradelle komt uit dezelfde familie als het klein vogelpootje dat in bloemen 1 behandeld is, met als meest markante verschil dat de bloemen van de serradelle veel groter zijn. Deze soorten vallen direct op door het oneven geveerd blad en de wit roze bloemen. Ornithopus komt van het Griekse ornithos = van de vogel en pous = poot. Dit heeft betrekking op de stand van de peulen. Sativus komt uit het latijn en betekent gezaaid, verbouwd. Serradelle is inmiddels een zeldzame soort.

We rijden er met onze auto's of fietsen achteloos aan voorbij en ook weinig wandelaars gunnen de wegbermen een blik waardig. Toch zijn wegbermen vaak verrassend rijk aan flora en vind ik ze nog steeds het meest ondergeschikt geraakt stukje natuur dat ik ken. Ik ben al aardig wat soorten van mindere algemeenheid tegen gekomen in wegbermen en aan dat lange lijstje kan de serradelle toegevoegd worden. Serradelle kan eigenlijk naast phacelia en luzerne gezet worden, niet als familie maar als toepassing. Al deze soorten werden of worden gebruikt voor groenbemesting dan wel als voedergewas.

                                                                    Stinkende gouwe

        Stinkende gouwe : Chelidonium majus

Dit sap werd vroeger gebruikt bij oogaandoeningen en de soortnaam chelidonium (zwaluwenkruid) verwijst naar die specifieke genezingskracht van de plant. In een volksoverlevering geloofde men dat zwaluwen met dit sap hun blind geboren jongen konden laten zien. Majus betekent groter. De naam gouwe is een afgeleide van goud en verwijst naar de bloemkleur en stinkende verwijst naar het melksap dat een dompige geur verspreidt. Verder doen er op internet nog allerlei verhalen de rondte over het bijgeloof dat de plant kennelijk voortbracht. De meest opmerkelijke vond ik wel dat de stinkende gouwe samen met het hart van een mol in een jaszak werd gedragen en men zo gevrijwaard was van alle narigheid. De stinkende gouwe kun je vanaf april tot diep in oktober nog vinden.

Een plant die op opengewerkte plekken de hele boel kan overnemen is de stinkende gouwe. Langs het Bels Lijntje kwam ik op een strook van 50 meter een waar woud van deze plant tegen, maar je hoeft er eigenlijk geen (semi) natuurgebied voor in te gaan, want de plant vind je bijna overal mits het maar in een schaduwrijke omgeving is.. Het succes van deze plant zit hem in het zaad, dat langer dan 5 jaar kan overleven en dus niet noodzakelijkerwijs het eerste jaar hoeft te kiemen. Het is een lid van de papaverfamilie met een opvallende bloem in langgesteelde schermen met 4 kroonbladen. De steel is behaard en als je die breekt ontstaat er een oranjegeel melksap op het breukvlak. 

                                                                      Waterviolier

               Waterviolier : Hottania palustris

Kwelwater is water dat door druk vanuit de bodem aan de oppervlakte komt. De bloemkroon in de knop kleurt lila (als de pinksterbloem) de openstaande bloemen kleuren wit met een gele keel. Aan de hoofdstengel die verder bladerloos is ontwikkelen zich vertakkingen van bloemstelen. De stengel bevat veel luchtkanalen die lucht naar de wortels voeren. De plant heeft aan de basis een rozet, die zich onder water bevindt. Hottania is vernoemd naar Paul Hotton (1648-1709) hoogleraar kruidkunde. Palustris betekent in het moeras levend. De waterviolier behoort tot de familie van de sleutelbloemen (primulaceae) en bloeit van april tot juni. 

Ook in de natuur kun je last krijgen van een soort pseudo polderblindheid. Aan de buitenrand van natuurgebied de Brand in Udenhout ligt een dijk van een km lang, die nagenoeg over de hele lengte vol staat met pinksterbloemen. Ik passeer die dijk regelmatig en op een rustpunt zag ik pas dat die vermeende pinksterbloemen feitelijk waterviolieren waren. Ik zal me proberen te redden door te stellen dat ook in een arendsoog wel eens een vuiltje zit, een flink vuiltje dan, want pinksterbloemen staan niet in 40 cm water en waterviolier wel. Niet zomaar elk water trouwens, alleen kwelwater is geschikt voor de waterviolier omdat kwelwater kooldioxide bevat, wat voor de soort onontbeerlijk is. 

                                                                  Beemdkroon

              Beemdkroon : Knautia arvensis

De natuur kent echter zijn grillen want er zijn ook planten waar een gaafrandig blad gevormd is. Knautia is genoemd naar de Duitse botanicus Christian Knaut (1656-1716). Arvensis betekent in akkers groeiend. De bloem van beemdkroon is rijk aan nectar en de bloem wordt dan ook veel bezocht door vlinders, bijen en hommels. Beemdkroon zou men kunnen verwarren met het duifkruid, die ook uit de kamperfoeliefamilie komt, maar de bloem van beemdkroon is compacter en het blad van duifkruid is wezenlijk anders. Bovendien behoort het duifkruid tot de scabiosa en beemdkroon tot de caprifoliceae.  

Een plant van de rode lijst die de laatste jaren sterk afgenomen is, is de beemdkroon uit de kamperfoeliefamilie. Ik vond in de Chaamse beek een 4 tal van deze planten die vochtige en grazige bodems prefereren en wie dit gebied kent kan daar deze plant wel bij bedenken. Het fameuze laarzenpad in het gebied staat garant voor een kletsnat avontuur (…) De bloem is speciaal want de randbloemen zijn wat groter dan de binnenste bloemen. Na bevruchting ontwikkelt de plant de zaden die ook bekend staan als mierenbroodjes, omdat mieren ze mee naar hun nest slepen en zo voor verspreiding zorgen. De gesteelde langwerpige rozetbladen zijn aan de voet grof gezaagd of gekarteld. 

      Het blad kent een grote variatie (zie tekst)

                                                                          Ratelaar

              Kleine ratelaar : Rhinanthus minor

Dat lijken voldoende handvaten om groot van klein te onderscheiden. Ratelaars zijn grasparasieten dat wil zeggen dat hun wortels voedingstoffen halen uit de wortels van grassen. Waar ratelaars groeien zie je dat het omringende gras nauwelijks omhoog komt. De naam ratelaar dankt de plant aan het feit dat de zaden rammelen als de zaaddragers door de wind worden bewogen. Rhinanthus komt uit het Grieks en is een samentrekking van rhinos = neus en anthos = bloem, duidend op de bloemkroon die als een neus vooruit steekt. Minor is klein. Angustifolus betekent met smalle bladeren. De grote ratelaar is sterk in aantal afgenomen. 

Als ik in de plantenwereld de begrippen "klein" en "groot" tegenkom, rinkelt er in de voorkamer van mijn achterdocht altijd een bel. Bij sommige soorten (hoefblad) is dat wat overdreven, maar vaak zijn de verschillen minder apert. Zoals in mensenland hebben we in de plantenwereld ook grote onder de kleintjes en kleintjes onder de grote. Bij de ratelaar is het daarom goed opletten geblazen. Het meest markante verschil vind ik in het blad zitten. De schutbladen van de grote ratelaar hebben aan de onderkant langere tanden dan die van de kleine ratelaar. Doorgaans is de bloem van de grote ratelaar groter dan die van de kleine en is de paarsblauwe tand van de grote ratelaar veel prominenter aanwezig dan die bij de kleine variant. Soms ontbreekt die gekleurde tand zelfs bij de kleine ratelaar.

     Grote ratelaar : Rhinanthus angustifolus

                                                              Kleinbloemige amsinckia

 Kleinbloemige amsinckia : Amsinckia micrantha

Amsinckia is genoemd naar de Duitse burgemeester Wilhelm Amsinck (1752-1831) die beschermheer was van de botanische tuin van Hamburg. Micrantha betekent met kleine bloemen. De Engelsen hebben de plant de toepasselijke naam fiddleneck gegeven vanwege de bloeiwijze die de plant heeft. De foto hiernaast heeft inderdaad weinig fantasie nodig om er een fiddleneck uit te halen. In de plantenwereld staat die bloeiwijze beter bekend als schicht. De plant wordt bezocht door zandbijen en is te vinden van eind april tot begin juli.

Een plant die we in de vorige eeuw dankzij de import van granen uit Noord-Amerika erbij gekregen hebben is de kleinbloemige amsinckia. De bloem is niet erg opvallend en maar tot 5 mm groot. De plant valt onder de ruwharige zoals de overblijvende ossentong en de kromhals. Met de haren van deze plant is het wel oppassen want die kunnen huidirritaties veroorzaken. De plant herbergt verder nog alkoïden en een hoog gehalte aan nitraten. Vroeger werd deze plant als veevoer gebruikt maar gezien de genoemde stoffen die het bevat is men daar wijselijk van afgestapt. Je kunt de plant in wegbermen aantreffen of op plaatsen waar de grond open gewerkt is.