Bloemen
Vul een subtitel in

Bloemen zijn er te kust en te keur, in het wild of gecultiveerd. We zien ze dagelijks, maar zien we ze ook echt ? Ik beperk me hier tot de wilde bloemen die ik in mijn natuurtochten tegen ben gekomen. Sommigen zijn algemeen, anderen minder.  Bij veel van de planten heb ik internet afgestruind voor wetenswaardigheden, waarbij de naamgeving mij het meest bezig houdt, want ik wil graag weten waarom ogentroost, ogentroost heet en waarom een overblijvende ossentong een plant is en niet de incourante voorraad van een slager.

                                                                           Knopherik

          Knopherik : Rapahnus raphanistrum

Maar niemand wil knopherik in zijn tuin omdat de verdere plant zelf er naar menselijke maatstaven onooglijk uitziet en onooglijk zoals ik al schreef pruimen we doorgaans niet in onze hofjes. "Nou, zei de wandelaar, "het is toch onkruid want je ziet het overal". (....) Ik hoop dat de lezer uit mijn betoog hier kan destilleren dat ik deze wandelaar ver voor mij heb gelaten, want tegen zoveel ignorantie is mijn zenuwgestel niet meer bestand. De knopherik heeft uiteenlopende kleuren bloemen van wit naar roze tot geel, maar altijd zijn er die prachtige aders in de bloemblaadjes die elke keer weer anders zijn. De vrucht is een peul en het succes van de plant is dat de zaden uit die peul jarenlang kiemkrachtig zijn. Raphanus is samengesteld van het Griekse ra = snel en phainomai = verschijnen, duidend op het snelle kiemen van de zaden. Raphanistrum betekent gelijkend op radijs. De knopherik vindt men al in april en kan tot in oktober nog gezien worden.

De Amerikaanse schrijver Wayne Dyer formuleerde ooit "het verschil tussen een bloem en onkruid is een oordeel" Een man naar mijn hart die Wayne. Want oordelen daar zijn wij mensen heel goed in, althans daar denken we goed in te zijn. De definitie van onkruid is breed, maar het komt er op neer dat als het de mens niet dient, dan wel medisch, dan wel gastronomisch, dan wel visueel het predicaat onkruid daar is. Met een groep wandelaars liep ik vorig jaar langs wat akkers en daar kwam weer de uitspraak waar je vooraf vergif op in kon nemen. "Daar staat weer een bos onkruid", doelend op de knopherik. Ik word altijd wat martiaal als ik dergelijke niet onderbouwde volzinnen moet verwerken, want wat heeft de knopherik door de eeuwen heen misdaan om als onkruid bestempeld te worden en vooral heb je de plant al eens goed van dichtbij bekeken. Ik wel, en ik verzeker de lezer dat de knopherik, of wilde radijs, geen onkruid is, maar een oogstrelende bloem bezit die kan wedijveren met de meeste inteelt die onze tuinen siert. 

                                                               Gele morgenster

       Gele morgenster : Tragopogon pratensis

Hij wordt vaak niet opgemerkt omdat ze in gesloten vorm lijkt op de paardenbloem. De soortnaam tragopógon komt uit het Grieks tragos = bok en pôgôn = baard. Deze naamgeving duidt op het lange vruchtpluis van de plant. Ook buitenlandse namen refereren aan de baard van de bok. Barba di becco en barba de cabra in Italië respectievelijk Spanje. Wiesen Bockbart in Duitsland. De familienaam pratensis betekent : van het weiland. Een zeldzamere variant is de oosterse morgenster die op de rode lijst staat. Deze soort heeft grotere bloemen én de buitenste rij bloemen is groter dan het omwindsel. 

De gele morgenster uit de asterfamilie doet zijn naam eer aan, want het is een plant waarvan de bloem alleen in de morgen volledig open staat en dan ook alleen als de zon schijnt. Ik vond er een stuk of tien in een slootkant ter hoogte van Hulten en toen ik er een dag later na de middag nog eens voorbij kwam was van die prachtige bloem even niets meer te zien. Na de bloei doet zich ongeveer hetzelfde fenomeen voor maar dan in de vorm van pluizenbollen die bij nat weer sluiten De plant valt direct op door de gele lintbloemen en de even lange omwindselbladeren en de 8 uitstekende kelkbladeren De penwortel en de grasachtige bladeren van de gele morgenster zijn eetbaar. De gele morgenster is een tweejarig kruid dat van eind april tot juni te vinden is. Het is een algemene voorkomende plant, die dankzij zijn lange penwortel, in drogere gebieden ook gedijt. 

                    Lange vruchtpluis 

                                                        Asparagaceae (aspergefamilie)

Gewone salomonszegel : Polyganatum multiflorum

De afgestorven stengels van de Salomonszegel laten een litteken na op de wortelstok en dat litteken schijnt te lijken op de afdrukken van de zegelring van koning Salomon. Daar dankt de plant zijn naam dan ook aan. De soortnaam polygonatum komt uit het Grieks, polys = veel en gony = knoop verwijzend naar de vele geledingen waaruit de wortelstok bestaat en de verdikkingen die zich daaraan bevinden. De familienaam multiflorum betekent : met veel bloemen. De gewone Salomonszegel draagt na de bloei zwarte bessen die ook giftig zijn.

        Lelietje van dalen : Convallaria majalis

Een derde vertegenwoordiger uit de aspergefamilie is de vogelmelk. De oorsprong van de naam vogelmelk is onbekend en waarschijnlijk is het een letterlijke vertaling van de wetenschappelijke naam. Die komt uit het Grieks, ornithogalon: ornis = vogel, gala = melk. Umbellatum betekent schermvormig. Vogelmelk staat op de rode lijst van plantensoorten, maar is momenteel niet bedreigd. De plant heeft veel zonlicht nodig. Op bewolkte dagen laat de bloem zich nauwelijks zien.


Kenmerken van de vertegenwoordigers uit de aspergefamilie zijn o.a de wortelstokken, de doosvruchten of bessen. De gewone Salomonszegel kwam ik tegen in een loofbos ter hoogte van Diessen. Het bestaan van deze plant in de wilde vorm vertoont veel gelijkenis met dat van de kleine maagdenpalm. Zolang het bladerdek in het bos niet gesloten is, bloeit deze mooie plant. Hij is niet te missen door de klokvormige witte bloemen die onder de stengel hangen. De twee rijen elliptische bladeren zijn ook vrij uniek en maken, voor wie aan de bloem mocht twijfelen, de determinatie af. (zie foto hieronder)

Een naast familielid van de gewone Salomonszegel is het meer bekende lelietje van dalen dat zich ook - tenminste in het wild - het liefst nestelt in bosrijke gebieden of op de randen daarvan. Langs het Bels lijntje kwam ik over een strook van 20 meter een weelderig bed van de wilde uitvoering tegen. Ook het lelietje van dalen is door de afhangende, klokvormige trossen bloemen met geen andere plant te verwarren. Het blad gelijkt op dat van daslook maar waar daslookbladeren een delicatesse zijn, zijn die van het lelietje van dalen giftig. Convallaria komt van het Latijnse convallis = dal en leiron = lelie. Majalis betekent in de maand mei bloeiend. Na de bloei ontstaan rode bessen aan de plant die ook giftig zijn. Het lelietje van dalen staat ook bekend onder de naam meiklokje.

        Vogelmelk : Ornithogalon umbellatum

                                                               Kleine pimpernel

         Kleine pimpernel : Sanguisorba minor

De soortnaam sanguisorba is afgeleid van sanguis (bloed) en sorbere (slurpen). De plant werd vroeger gebruikt als bloedstelpend middel. Minor betekent klein. Naast de kleine pimpernel is er ook nog de grote pimpernel. Voor het verschil kan men het best de bladeren onder de loep nemen. De kleine pimpernel heeft oneven geveerde bladeren de grote pimpernel gesteeld en geveerd. Verder is de stengel van de grote pimpernel gegroefd en de stengel van de kleine pimpernel is behaard. De stengel van de grote pimpernel is alleen aan de basis behaard. De kleine pimpernel vormt pollen en is een windbestuiver en dus doet de plant geen spectaculaire moeite om insecten te lokken. Lang valt er dan ook niet te genieten van de prachtige rode stempels op de vrouwelijke bloemen die vóór de mannelijke bloemen tevoorschijn komen. 

De naam pimpernel is ontleent aan het Latijnse piperinus dat letterlijk "als uit peperkorrels bestaandʼ betekent en verwijst naar de op een aar gelijkende vrucht (hoofdje) van de plant. De kleine pimpernel komt uit de rozenfamilie en heeft een tweeslachtig vrucht met vrouwelijke bloemen met rode stempels aan de bovenzijde en mannelijke bloemen, barstensvol afhangende meeldraden, aan de onderzijde. De plant is te vinden op kalkrijke bodems en komt met name in Limburg voor. Het is een plant van de rode lijst met de kwalificatie kwetsbaar. Ik vond 3 van deze planten in een wegberm langs een idyllisch landweggetje. Ja mensen, het uitpluizen van wegbermen levert soms verrassende ontdekkingen op.

 Mannelijke bloem, met afhangende meeldraden

                                                                    Winterpostelein

       Winterpostelein : Claytonia perfoliata

Open, droge voedselrijke grond is de kans waar je het aan kunt treffen, bij voorkeur licht kalkhoudend. De bloeiperiode is van april tot juni . Winterpostelein is een beetje een vergeten groente, maar de soort is in opkomst. Van alle bladgroenten heeft winterpostelein de hoogste hoeveelheid omega 3-vetzuren. Verder zijn vitamines A, C en E. rijk vertegenwoordigd. Uit onderzoek is gebleken dat winterpostelein meer ijzer bevat dan spinazie. Van de plant zijn het blad en de steel de delen die er in dit verband toe doen. De geslachtsnaam Claytonia is genoemd naar Amerikaanse botanicus John Clayton (1694-1773),

Als men winterpostelein voor het eerst ziet lijkt het alsof de stengel zich dwars door het blad gepriemd heeft. De werkelijkheid ligt iets anders, want de stengel wordt omsloten door 2 tegenover elkaar liggende vlezige bladeren. De wetenschappelijke soortnaam perfoliata laat zich ook leiden door doorboring. Per = door en folium = blad, dus door het blad. De witte bloem heeft 5 kroonblaadjes en de plant heeft 3 doosvruchten die ingesloten zijn door 2 kelkbladen (zie foto onder) In de doosvruchten ontstaan de zaden die door mieren verspreid worden (mierenbroodjes) Winterpostelein vindt men vooral in de kustgebieden, maar ook in Brabant komt het in het wild voor. 

                                                                         Daslook

                   Daslook : Allium ursinum

De overlevering vertelt dat beren na hun winterslaap zich tegoed deden aan dit vroege plantje. Vroeger werd de plant dan ook berelook genoemd. Daslook is vooral goed voor de spijsvertering, het ontsmet de darmen en brengt de darmflora in evenwicht. De bladeren zijn een delicatesse, maar wel voordat de plant in bloei staat. Het is wel aan te raden het blad te kneuzen zodat de typische lookgeur ontstaat. Het blad van daslook lijkt namelijk op dat van het lelietje van dalen en dat blad is giftig. Ook de bloem, het zaad en de wortel zijn eetbare delen. Let echter wel op dat het plantje in zijn wilde vorm in Nederland beschermd is en dus niet geplukt mag worden (...)

Heel vaak ben ik het nog niet tegen gekomen, maar als ik de schermbloemen van daslook als een wit tapijt over de grond zie liggen, maken niet zichtbare danspasjes een schuifelpartij over mijn ziel. Dat ga ik verder niet uitleggen, dat snap je of dat snap je niet. De wilde chicorei heeft voor mij de mooiste bloem van de Nederlandse flora, maar de bloem van daslook is toch een goede tweede. Daslook houdt erg van kalkhoudende, humusrijke grond en daar loopt het in Brabant niet van over. De plant is vooral te vinden op schaduwrijke bodems en bij voorkeur loofbossen of randen daarvan. Daslook heeft een uiengeur en de geslachtsnaam allium verwijst daar ook naar. Allium komt uit het Grieks aglis = knoflook. De soortnaam ursinum is afgeleid van ursus = beer. 

                                                                  Centaureae

            Knoopkruid : Centaurea jacea

Jacea komt van Latijnse woord jaceo dat neerleggen betekent. Een tamelijk zeldzame soortgenoot van het knoopkruid is de bergcentaurie, die meteen opvalt door kleur van de bloemen. De buitenste grote bloemen hebben een blauwpaarse kleur en de kleinere binnenste bloemen zijn roodpaars. Ik vond de bergcentaurie op de rand van het natuurgebied Huis te heide waar 3 afzonderlijke planten te bewonderen waren. De soortnaam montana betekent uit de bergen en net zoals het hieronder beschreven Deens lepelblad is de soort een adventief. Een andere vertegenwoordiger uit de centauriefamile is de korenbloem (C. cyanus) die hier verderop apart behandeld is.

De bekendste vertegenwoordiger uit de onderfamilie centaurea (genus : asteraceae) is ongetwijfeld het knoopkruid. Van eind april tot diep in de herfst kleurt deze plant, met zijn paarse buisjesbloem rurale gebieden. Knoopkruid herken je makkelijk door de omwindselblaadjes die onder de bloeiwijze zitten. (hoofdje) Dat hebben distels ook, maar het knoopkruid heeft geen stekelig blad. Het blad en stengel van het knoopkruid zijn kaal. Knoopkruid lokt vele insecten zoals bijen, hommels en vlinders en is zowel nectarplant als waardplant. Centaurea komt van centaur = half mens, half paard, en is afkomstig van de Griekse centaur Chiron, Deze werd met het sap van een centauriesoort genezen van een pijlwond.

          Bergcentaurie : Centaurea montana

                                                   Het klein wit voorjaarsgoed

             Vroegeling : Erophila verna

Voor de zandraket, die in april tevoorschijn komt, kijk ik altijd naar het blad dat behaard is en een grof getande rand heeft en verder heeft de plant lancetvormige stengelbladeren. Arabidopsis verwijst naar Arabië. De naam raket is afgeleid van het Latijnse eruca, de naam voor een koolplant. Thaliana is een naamverwijzing naar de Duitse arts en botanicus Johannes Thal (1542-1583). De zandraket zie je niet alleen in natuurgebieden. Het is een algemeen voorkomende plant die zich zelfs tussen de stoeptegels omhoog weet te werken. Het is een eenjarige plant. 

       Herderstasje : Capsela bursa-pastoris

De kleine veldkers is de makkelijkste van de vroege bloeiers om te determineren. Met de lange vruchten die boven de bloemen uitsteken is hij eigenlijk met geen andere van de hier behandelde vroegbloeiers te verwarren. Hij heeft nog een neefje en dat is de bosveldkers en het verschil zit in de vruchten. Bij de bosveldkers komen die niet boven de bloemen uit. Er is nog een derde soort veldkers en wel de bittere veldkers, maar die heeft veel grotere bloemen Cardamine is afgeleid van het Griekse Cardis = hart en Damao = verzachten. Het kruid werd vroeger gebruikt bij hartkwalen. Hirsuta = ruwharig. 

     Klein tasjeskruid : Teesdalia nudicaulis

Een plantje dat erg in het binnenland in opkomst is de laatste jaren is het Deens lepelblad. De plant houdt erg van zilte bodems (kust) en langs wegen die in de winter gepekeld zijn geweest, zie je soms witte linten van tientallen meters lang. De bloemetjes zijn lichtroze en de groene ovale schijven zijn de hauwtjes. De plant is rijk aan vitamine C. De overlevenden van de expeditie naar Nova Zembla dankten hun leven aan deze plant omdat de vitamine C. hun scheurbuik genas. Cochlearia komt van het Latijnse cochlear = lepel en danica verwijst naar Denemarken. Deens lepelblad is een adventief. Dat wil zeggen dat ze door menselijk toedoen op een andere plek terecht is gekomen en zich daar gevestigd heeft.

In het voorjaar komen tal van kleine witte bloemetjes op, die op het eerste oog op elkaar lijken, maar nader bekeken verschillend zijn. Al die planten komen uit de kruisbloemenfamilie en zoals vaak met planten zijn de verschillen zichtbaar als je de hele plant onder de loep neemt. De vroegste van allemaal heet - hoe kan het anders - vroegeling, die reeds in februari al te vinden is en tot mei doorbloeit. Opvallend bij deze plant zijn de diep ingesneden kroonbladen, maar het best herken je hem aan de platte vrucht die op de foto links er ook uitspringt. De plant ligt soms als een witte waas over de akkers en velden. De familienaam Erophila komt uit het Griekse er = vroeg en phile = houden van. Verna = in het voorjaar. Veel meer superlatieven om een vroeg plantje aan te duiden zijn er m.i. niet. 

             Zandraket : Arabidopsis thaliana

Wie de vrucht (hauwtjes) van het herderstasje ziet, kan met wat fantasie wel bedenken waarom dit plantje zo heet. Sterker nog, de hele wetenschappelijke naam verwijst er naar. Capsela is een verkleinwoord voor capsula dat tasje betekent en bursa-pastoris betekent letterlijk buidel van de herder. Het herderstasje bloeit vanaf maart en het veernervig blad met spitse top tezamen met de driehoekige vrucht maakt dat hij niet te missen is. Het herderstasje heeft zijn sporen verdient in de alternatieve geneeswijze. Het was een beproeft middel om bloedneuzen te stelpen en ook tegen overvloedige menstruatie werd het vroeger ingezet. Dit gebeurde dan  in de vorm van een uit herderstasjes getrokken thee. 

            Kleine veldkers : Cardamine hirsuta

Een vroegbloeier die ik wat minder vaak tegenkom is het klein tasjeskruid. De plant valt op doordat de bloeiwijze een hoofdje is en vanwege het feit dat de stengel zonder blad is. Men zou hem kunnen verwarren met het herderstasje maar het klein tasjeskruid heeft geen driehoekige vruchten. Verder valt de ongelijke grootte van de kroonbladen op want de buitenste zijn groter dan de binnenste. Hierdoor zijn de bloemen stralend, wat bij kruisbloemige zeldzaam is. Het plantje kan absoluut niet tegen bemesting en dat is waarschijnlijk de reden dat ik hem alleen in natuurgebieden tegenkom. Teesdalia is genoemd naar Robert Teesdale, een Engelse botanicus (1740-1804). Nudicaulis = naaktstengelig. 

           Deens lepelblad : Cochlearia danica

                                                                              Muur

             Vogelmuur : Stellaria media

De grootste vertegenwoordiger van de muursoorten is de grote muur die vooral te vinden is in vochtige loofbossen en langs bosranden daarvan. Afgezien van de grote bloemen valt hij ook op door de vierkante stengel. Een andere mooie vuistregel is dat de kroonbladen bij de grote muur 2 x zolang zijn als de kelkbladen. De grote muur heeft 3 stijlen (vergelijk watermuur 5 stijlen) De soortnaam holostea van de grote muur betekent geheel benig, waarschijnlijk verwijzend naar de onderste stengeldelen die hard en knokig zijn. Grote muur bloeit al in april. Andere muursoorten die in Nederland voorkomen zijn o.a. de bosmuur, watermuur, moerasmuur en grasmuur. Al deze soorten muur bloeien vanaf mei. Er bestaat ook nog de zeldzame heggenvogelmuur die bedrieglijk veel lijkt op de vogelmuur maar grotere bladeren heeft.

In Nederland komen 9 soorten muur voor waarvan 8 tot het geslacht stellaria behoren en 1 tot het geslacht myosoton (watermuur) De herkomst van de naam muur is onbekend. De meest bekende muursoort, die we heel het jaar door kunnen vinden, is de vogelmuur met zijn kleine bloemen en de diep gespleten kroonbladen. Zo diep zelfs dat het lijkt alsof deze soort 10 kelkbladen heeft, maar het zijn er toch maar 5. Ook hier wordt naar de naamgeving gehengeld en verondersteld wordt dat de naam vogelmuur uit het Frans overgenomen is, want die noemen het Mouron des oiseaux (?) Vogelmuur vind je eigenlijk overal waar enigszins voedselrijke te vinden is. De soortnaam stellaria komt van stelle = ster verwijzend naar de vorm van de bloem en media verwijst naar de grootte t.o.v andere muursoorten.

            Grote muur : Stellaria holostea

                                                               Bospaardenstaart 

     Bospaardenstaart : Equisetum sylvaticum

Heermoes heeft een onvertakte steel en bij de bospaardenstaart is de steel juist sterk vertakt. Een nog meer markant verschil kreeg ik via social media aangereikt. Ook ik ben niet te oud om te leren, dus alle info die mij verder helpt is welkom. De stengel van de heermoes sterft af nadat de sporen rijp zijn en zal dus geen groene zijtakjes laten zien zoals op de foto rechts. Bij de bospaardenstaart zal de stengel uiteindelijk ook van bruinrose naar groen verkleuren, iets wat bij de heermoes niet gebeurt. Equisetum is een samentrekking van equus = paard en setum = haren, verwijzend naar een paardenstaart. Sylvaticum betekent in het bos groeiend. De bospaardenstaart staat op de rode lijst met de kwalificatie : kwetsbaar. Niettemin wordt de soort meer en meer waargenomen in de oostelijke en zuidelijke helft van Nederland.  

Natuurgebied De Brand in Udenhout is in bezit van het Brabants landschap en op de internetpagina over dit gebied wordt o.a de zeldzame bospaardenstaart genoemd. Da's wel lekker zoeken naar iets zeldzaams op 482 hectare waarvan een groot gedeelte alleen met een duikerspak bereikbaar is. Maar ja, als je iets wilt vinden moet je niet zeuren en de bospaardenstaart houdt nu eenmaal van natte zure bossen en de meeste kans om hem te vinden is toch langs beekoevers. Met dat gegeven elimineer je toch een flink aantal hectares. Ik trof hem aan op een strook van 50 meter waar ik er in de gauwigheid toch wel een stuk of 80 telde. Nou heeft de bospaardenstaart een paar bedrieglijke look-a-likes zoals de holpijp en de heermoes en vooral die laatste zou nog roet in mijn feestmaaltje kunnen gooien. Mijn trouwe veldgids heeft me echter nog nooit in de steek gelaten en ook dit keer niet. 

Karakteristieke zijtakjes van de bospaardenstaart die ontstaan na de sporenrijping. Bij het naaste familielid de heermoes (E. arvense) zijn deze zijtakjes niet vertakt.

                                                               Raapzaad of koolzaad

Raapzaad (Brassica rapa) knoppen onder de bloem

Verder is er dan nog het blad dat  verder kan helpen. Bij raapzaad is het blad nagenoeg stengelomvattend en bij koolzaad zijn de bladeren half stengelomvattend. De onderste bladeren zijn bij raapzaad grasgroen en bij koolzaad zijn alle bladeren blauwgroen. Brassica komt van het Grieks prasiké = groente bij uitstek. Rapa betekent raap. Ook bij koolzaad (Brassica napus) verwijst het woord napus naar zaad. Ook aan de zaden kan men het verschil zien. Het zaad van koolzaad is bijna zwart en dat van raapzaad bruin, maar daar heb je als de plant nog in bloei staat natuurlijk weinig aan.

Zo op het eerste oog zijn, door de gele bloemen, raapzaad en koolzaad erg op elkaar lijkende planten Een gegeven is dat raapzaad de vroegste is van de twee en als je de geel gekleurde bermen eind maart begin april tegenkomt is dat zonder twijfel raapzaad. Maar er komt een moment van overlapping waarbij beide soorten zich aandienen.  Een stevige blik op de bloem en bloemknoppen biedt meer uitkomst. De ongeopende knoppen van koolzaad zitten hoger dan de bloemen, terwijl bij raapzaad de ongeopende knoppen onder de bloemen zitten

Koolzaad (Brassica napus) knoppen boven de     bloemen

                                                                    Judaspenning

          Tuinjudaspenning : Lunaria annua

Bovendien zal men zelden bloemen van de wilde judaspenning tegenkomen die zo roodpaars zijn als die van de tuinjudaspenning. De bloemen van de wilde judaspenning zijn wit tot licht lila. De naam Judaspenning heeft een Bijbelse achtergrond. Judas gooide zijn door verraad verkregen zilverlingen weg en op de plek waar die terecht kwamen ontstond deze plant. Lunaria is een samen voegsel van luna = maan en arius = vormig. Maanvormig dus, verwijzend naar de witte peulen die na de bloei vorm krijgen. Annua betekent eenjarig. De judaspenning is, naast de pinksterbloem, de waardplant van het oranje tipje.

Er moet bij de judaspenning onderscheid gemaakt worden in de tuinjudaspenning en de wilde judaspenning (ook wel vaste judaspenning genoemd). De tuinjudaspenning is een ontsnappingskunstenaar die inmiddels het afgebakend perkje ontgroeid is en ook in natuurgebieden te bewonderen valt. De wilde judaspenning zal men minder te zien krijgen. Markant verschil is dat de onderste en middelste bladeren van de wilde judaspenning tegenoverstaand zijn en bij de tuinvariant niet. Verder zijn de zaaddoosjes van de wilde judaspenning ovaal en die van de tuinjudaspenning rond. 

                                                              Rankende helmbloem

Rankende helmbloem : Ceratocapnos claviculata

Net zoals bij paddenstoelen zijn er ook planten die goed gedijen op zure bosgrond. De rankende helmbloem is zo'n typische bosplant die op opengewerkte plekken in het bos tevoorschijn komt. Het is een eenjarige plant waarvan de bladeren ranken hebben om zich omhoog te werken. De bloeiwijze is trosvormig die uiteindelijk in een lange doosvrucht eindigt. Aan de zwarte zaden zitten weke delen die mierenbroodjes genoemd worden. Mieren zijn dus een belangrijke factor in het verspreiden van de zaden. Het plantje staat al in maart in bloei en kan tot in september nog gevonden worden. In Brabant was ze tamelijk zeldzaam, maar inmiddels is de plant aan een gestage opmars bezig. Ceratocapnos komt uit het Grieks cera =hoorn en capsis = hoed en verwijst naar de bloem. Claviculata verwijst eveneens naar de bloem en betekent knotsvormig gevleugeld.

                                                                Kleine maagdenpalm

            Kleine maagdenpalm (Vinca minor)

Met zijn 5 hemelsblauwe kroonbladen is hij in het bos nauwelijks te missen. Maagdenpalmen kunnen slecht tegen warm vochtig weer. Bladvlekkenziekte en roest zijn twee ziektes die veel bij deze soort voorkomen. De bloemen van de kleine maagdenpalm worden veel gebruikt bij het opfleuren van voorgerechten. Het blad is echter giftig en is dus niet direct eetbaar. Toch zitten er stoffen in de plant, vitamine-C, natrium en calcium, die een geneeskrachtige werking hebben. In de homeopathie kom je de plant dan ook tegen en zou het een probaat middel zijn tegen o.a. neusbloedingen en keelpijn.

Een plant die je eigenlijk hier niet zou verwachten. Een typische tuinplant die oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied komt. Toch heb ik hem opgenomen, omdat je ze steeds meer in natuurgebieden tegenkomt. Een moderne stinzenplant zou ik hem willen noemen. De kleine maagdenpalm is een schaduwplant, maar die naam is wat misplaatst. Hij bloeit namelijk in het bos juist op die momenten dat het bladerdak er nog niet is, dus in de late winter, vroege lente. Hij vangt dus de eerste warme zonnestralen op. Op het moment dat het bladerdak zich sluit is hij uitgebloeid. De kleine maagdenpalm is een groenblijvende kruipplant. Ik kwam hem tegen bij de bossen van het Belverstsven waar hij begin maart (2019) al vol in bloei stond. Vinca komt uit het Latijn vincere = binden en verwijst naar de lange, kruipende takken. Minor betekent klein.

                                                                 Gewoon sneeuwklokje

       Gewoon sneeuwklokje : Galanthus nivalis

Het gewone sneeuwklokje komt uit de narcissenfamilie. Uit deze familie komen ook het lenteklokje en het zomerklokje. Verwarring met het gewoon sneeuwklokje is niet mogelijk want zowel lente- als zomerklokje hebben een groene of gele gevlekte stompe top. Het sneeuwklokje wordt in de geneeskunde gebruikt maar het bevat zowel geneeskrachtige stoffen als giftige. De stof galantamine, die in het sneeuwklokje voorkomt,  heeft een vertragende werking op de ziekte van Alzheimer maar heeft ook veel bijwerkingen. Een oude volkswijsheid vertelt dat als de sneeuw- klokjes snel verwelken er een korte zomer zal volgen.

Dit jaar (2018) zag ik al eind december de eerste sneeuwklokjes bloeien, maar de huidige winters zijn dan ook niet meer de winters van 20 jaar geleden. Normaal gezien is dit een plantje van februari en het grappige van sneeuwklokjes is dat ze zich door een laag sneeuw kunnen wurmen. Het einde van de stengel en bloemknop worden daarom beschermd door een bloemschede. De fraaie klokvormige bloemen zijn onmiskenbaar. De geslachtnaam Galanthus komt uit het Grieks en is een samenvoeging van gale = melk en anthos = bloem. Melkbloem dus. De familienaam nivalis duidt indirect ook op de bloemkleur. Nivalis van het Latijnse nix nivis = sneeuw.

                                                                      Bosanemoon

          Bosanemoon (Anemone nemorosa)

Bosanemonen hebben sterke humusrijke grond nodig. De vrucht van de bosanemoon is een dopvrucht die door mieren worden verspreid. Dit fenomeen zie je o.a. ook bij de witte dovenetel en het sneeuwklokje. Een mooi verhaal vond ik op natuurverhalen.nl over het ontstaan van de naam. Pure romantiek wat mij betreft. >>> In de tijd dat de goden nog op aarde leefden werd de god van de westenwind, Zephyros verliefd op een kleine godin van de natuur, de nimf Anemone. Maar de nimf was nymfomaan en hield van alle mannen. Zephyros wilde zijn nimf alleen voor zichzelf hebben, maar Anemone kan andere goden niet weerstaan. De god van de westenwind deed zijn 

Bij milde winters kom je begin maart al het kruipende witte tapijt van de bosanemoon tegen. Ik vind ze - samen met het speenkruid - de lentebodes pur sang. Op zonnige dagen zijn ze een lust voor het oog als ze hun talrijke bloemen naar de zon richten. De bosanemoon heeft een flinke wortelstok waarin de plant, na bovengronds te zijn afgestorven, zijn voedselvoorraad in opslaat. Bosanemonen zijn overblijvende planten en ik vind ze ook elk jaar op hetzelfde plekje en ook elk jaar gaan ze op de foto om ze nog mooier te krijgen dan ik ze al had (...) 

beklag bij Hera, de koningin van de goden, de vrouw én slachtoffer van Zeus. De oppergod Zeus was een schuinsmarcheerder als geen ander en Hera leed hieronder. Als slachtoffer van haar man voelde ze mee met Zephyros en ze veranderde de nimf in een onopvallend bosplantje. Maar Zephyros mistte zijn geliefde nimf Anemone en hij zocht haar overal, riep haar naam, maar kon haar niet vinden. Op een vroege lentedag vond hij haar toen ze haar mooie stralende bloemetje opende in de zon. Als je ziet dat een anemoon zich beweegt in de wind, dan weet je dat ze weer samen zijn en dat Zephyros haar streelt en kust. <<<. De soortnaam nemorosa komt van het Latijn nemerosus dat "van het bos" betekent. De bosanemoon is een plant uit de ranonkelfamilie waartoe o.a ook de boterbloemen en de dotterbloemen behoren.

                                                                       Heidespurrie

              Heidespurrie (Spergula morisonii)

Zoals de naam al doet vermoeden voldoet de heidegrond daar aan. Gezien de heidegebieden in Brabant is het niet verwonderlijk dat de plant in onze provincie algemeen is. In het westen en noorden van het land daarentegen ontbreekt de plant volledig. Spergula komt van het Latijnse spargere (uitstrooien), de planten strooien gemakkelijk hun zaden uit. Morisonii is vernoemd naar de Schotse botanicus Robert Morison (1620-1683). Heidespurrie is een eenjarige plant. De naam spurrie is vermoedelijk een afgeleide van de latijnse naam spergula, maar mogelijk ook een verbastering van spoor, waarbij spoor een puntig uitsteeksel is. Dit verwijst naar de bijkelk die doet denken aan spoorraadjes.

"De natuur is van slag" hoor je mensen vaak zeggen. Voor de extreem warme zomer en nazomer van 2018 is daar wel iets voor te zeggen. De plantenwereld heeft dit jaar in veel gevallen de bloeitijd verlengd of verplaatst. Zo kwam ik half oktober de heidespurrie nog tegen die normaal van mei tot juni bloeit. Heidespurrie is een plant uit de anjerfamilie en valt meteen op door het blad, dat lijnvormig is en rechtstandig met de steel verbonden is. Een ander kenmerk is de extra krans van schutbladen onder de bloem (bijkelk) Nou is er ook nog de gewone spurrie en voor het verschil moet je, behalve de groeiplaats, ook nog naar het blad kijken. Het lijnvormig blad bij de gewone spurrie heeft een groef en waar het blad de stengel raakt staan bij de gewone spurrie steunblaadjes, bij de heidespurrie ontbreken zowel de groef in het blad als de steunblaadjes.  Heidespurrie is een plant van droge zandgronden. 

      Karakteristiek lijnblad van de heidespurrie

                                                                 Duizendguldenkruid 

Echt duizendguldenkruid (Centaurium erythraea)

die, toen een pijl van Hercules zijn voet trof, zich met dit kruid genezen heeft. Erythraea als soortnaam in echt duizendguldenkruid, betekent roodachtig verwijzend naar de bloemkleur. In de volksoverlevering staat duizendguldenkruid bekend als toverkruid. Misschien dat moderne beleggers beter het veld in kunnen gaan dan naar de beurs. Het verhaal doet namelijk de ronde dat wanneer je precies om 12 uur ´s middags op St. Jansdag (24 juni) duizendguldenkruid plukt en het in je portemonnee stopt deze zal altijd gevuld zal blijven. Een van de bijnamen van duizendgulden- kruid is koortsbloem en die naam deed in de middeleeuwen opgeld, omdat de plant een koortsverlagende werking heeft. Echt duizendguldenkruid bloeit van juli tot september met mooie roze bloemen die alleen bij zonneschijn open gaan. Duizendguldenkruid is een overblijvende plant.

Een plant uit de gentiaanfamilie is het duizendguldenkruid. We onderscheiden in Nederland 3 soorten van dit kruid en wel het strandduizendguldenkruid, het fraai duizend- guldenkruid en het echte duizendguldenkruid (foto's) De naamgeving van duizendguldenkruid is wat merkwaardig. Het is de verkeerde vertaling van het uiteen trekken van de wetenschappelijke naam centaurium, dat men splitste in centum = honderd en aurum = gulden (in de zin van goud) Dit leidde in de 15e eeuw tot de gechargeerde vertaling "dusentgulden". Centaurium komt echter van centaur, in het bijzonder de centaur Chiron, 

                                                                 Koninginnenkruid

     Koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum)

Hemelsleutel valt onder de vetplanten en heeft een vlezig blad. Echte valeriaan heeft een oneven geveerd blad en koninginnenkruid handnervig. Het blad van koninginnenkruid lijkt veel op dat van hennep. Dat komt ook terug in de wetenschappelijke soortnaam "cannabinum" Eupatorium is genoemd naar Eupator, de bijnaam van koning Mithridates van Pontus. Eupator betekent letterlijk "met een beroemde vader" Hoe dit te plaatsen bij het koninginnenkruid is mij niet duidelijk geworden. De Nederlandse naam koninginnenkruid komt waarschijnlijk van de Germaanse naam voor de plant 'Kunigundkraut'. Kunigunde was gravin van Luxemburg en gemalin van Duitse keizer Hendrik II. Zij werd in 1200 heilig verklaard. Leverkruid, zoals de plant vroeger ook wel genoemd werd heeft betrekking op de bloemkleur.

Koninginnenkruid of leverkruid is een plant waar vlinders in het najaar veel plezier aan beleven. De herfst is voor veel vlinders de laatste periode om nectar te tanken, hetzij voor de overwintering (dagpauwoog), hetzij voor de lange reis naar het zuiden (atalanta) De plantensoort kan tot meer dan een meter hoog worden en valt tijdens de bloei op door de zeer dicht opeenstaande hoofdjes met witroze tot rozerode buisbloemen. Maar van dat soort tuilvormige bloemen zijn er meer, zoals de hieronder beschreven hemelsleutel en de echte valeriaan. In de meeste gevallen biedt, wanneer we aan de bloem twijfelen, het blad dan uitkomst. 

De kenmerkende lange stijlen die na de bloei uit de buisbloemen tevoorschijn komen

                                                                    Hertshooi (Hypericaceae)

        Moerashertshooi (Hypericum elodes)

Moerashertshooi bloeit van juli tot en met september. De plant kan tot 50 cm hoog worden en is overblijvend. Overblijvend wil zeggen dat de kans groot is, dat als u het plantje vindt het volgend jaar op dezelfde plek er weer staat. Een andere vertegenwoordiger uit de hertshooifamilie is het gevlekte hertshooi. Deze plant heeft de voorkeur voor lichte bossen. De bloem heeft wel iets weg van de grote wederik maar de rijkelijk aanwezige meeldraden (foto rechts) maken o.a. het verschil. Die vele meeldraden vind je ook bij het St Janskruid en dat kruid behoort ook tot de hertshooifamilie (Hypericaceae)

      Gevlekt hertshooi (Hypericum maculatum)

Hypericum van hertshooi betekent "het kruid onder de heide" samengesteld van het Griekse hypo en Erica. Dat klopt vrij aardig want het moerashertshooi dat ik vond, stond enkel en alleen maar aan ven oevers in heidegebieden. Hertshooi betekent hard hooi, verwijzend naar de houtige en harde stengels. De plant staat op de rode lijst, maar dankzij de combinatie van heide en vennen is het in Brabant talrijk aanwezig. Als het de juiste omstandigheden treft kan het aardig doorwoekeren. Elodes, zoals de familienaam van moerashertshooi luidt, betekent moerassig.

                      Bloem gevlekt hertshooi

St Janskruid en gevlekt  hertshooi gaan soms kruisingen met elkaar aan en de variëteit die daar uit ontstaat heet Frans hertshooi. De soortnaam maculatum betekent gevlekt. Ik vind het altijd boeiend om te lezen wanneer er geen consensus is in de florawereld over bepaalde soorten. Het gevlekt hertshooi en het kantig hertshooi worden door sommigen als 2 aparte soorten beschouwd. Mijn veldgids "wilde planten van de Benelux" beschouwt ze als 1 soort. Gevlekt hertshooi kan tot 60 cm hoog worden en bloeit vanaf juni tot en met september. Ook deze plant is overblijvend.

                                                                      Wolfspoot

             Wolfspoot (Lycopus europaeus)

schildklier behandeld worden met wolfspoot.  Overdreven hartkloppingen werden vroeger tegen gegaan met wolfspoot. Bovendien werd het als hoestmiddel en koortswerend medicijn gebruikt. In vroegere tijden werd wolfspoot door zigeuners gebruikt om hun huidskleur donkerder te maken. De plant kent maar liefst 20 werkzame stoffen waardoor het zijn weg in de fytotherapie wel heeft gevonden.. De plantenwereld stelt ons in de vorm van geneeskruiden, middelen ter beschikking die ter voorkoming en genezing van ziekten kunnen dienen. Dat is in de basis wat fytotherapie inhoudt. Het is raadzaam niet zelf te gaan experimenteren met geneeskrachtige planten zeker niet in combinatie met "moderne" medicijnen.

De wolfspoot ziet men vaak samen met de moerasandoorn en watermunt. Die drie houden allemaal van carbonaathoudend water. Wolfspoot dankt zijn naam aan de vorm van het diep ingesneden blad, dat op een poot van de wolf lijkt. Een beetje fantasie is daarvoor wel nodig, maar ook de Noren zien er een soort van poot in, want zij noemen het plantje "klourt" wat klauwkruid betekent. Ook de wetenschappelijke naam verwijst naar de wolf. Lycopus komt van het Grieks lykos = wolf en pous = voet. Europaeus betekent uit Europa. Wolfspoot houdt van open zonnige plekken aan de waterkant en is vooral in augustus op zijn hoogtepunt. De schijnkrans van wit paarse bloemen verdient het om eens van heel dichtbij te bekijken. De wolfspoot staat in de natuurgeneeskunde hoog aangeschreven. Diverse studies hebben aangetoond dat de stof thryroxine, die in wolfspoot voorkomt, de jodiumstofwisseling ondersteunt. Hierdoor kan een overactieve 

      Schijnkrans met tegenoverliggend blad

                                                                 Bleekgele droogbloem

Bleekgele droogbloem (Gnaphalium lutea-album)

Luteo-album betekent geel wit en verwijst naar de bloem en de viltige witte beharing. De bleekgele droogbloem gedijt het best op plaatsen die in de winter onder water staan en 's zomers droogvallen. Dat verklaart mogelijk het succes van de plant in 2018, want door de droogte dit jaar zie je de plant veelvuldig verschijnen. Door de lange penwortel kan de plant lang zonder water en het viel mij op dat ze ondanks de droogte erg lang in bloei bleven staan.  

Droogbloemen zijn te herkennen aan de witviltige beharing aan zowel de bladeren als de stengel. Daartoe behoren ook de viltkruiden. Viltkruiden en droogbloemen zijn lastig uit elkaar te houden. Bleekgele droogbloemen zijn het best te herkennen aan de rozet van spatelvormige bladeren die net boven het maaiveld op de grond liggen én aan de kluwen van hoofdjes die aan de vertakte bloeiwijze hangen. Bij de moerasdroogbloem vind je onder de bloeiwijze direct bladeren, die bij de bleekgele droogbloem ontbreken. Bleekgele droogbloemen zijn matig algemeen en in sommige jaren zelfs helemaal niet aanwezig. Gnaphalium komt uit het Grieks gnaphalon dat gekaarde wol betekent. Dit verwijst naar het wolkleed dat bij veel soorten voorkomt

Karakteristieke rozet van spatelvormige bladeren

                                                                  Klein vogelpootje

     Klein vogelpootje (Ornithopus perpusillus)

Een onopvallend plantje dat vooral groeit op onkruidruigten, akkers en wegbermen. Maar ook aan bosranden is het klein vogelpootje aan te treffen. Voorwaarde is dan wel kalkarme zandgrond. De bloemen van het klein vogelpootje zijn maar 3 tot 5 mm groot. De vrucht is een peul en daar dankt de plant zijn naam aan, want die vrucht lijkt op een vogelpootje. Ook op wetenschappelijk vlak is er de verwijzing naar de op een vogelpootje gelijkende peul. Ornithopus komt van het Griekse ornithos = van de vogel en pous = poot. Perpusillus is zeer klein, hetgeen verwijst naar de bloemen. Het vogelpootje is een eenjarige plant en is te vinden van mei tot begin september.

                                                                    Hemelsleutel

             Hemelsleutel (Sedum telephium)

Sint-Petrus verloor zijn sleutelbos aan de hemelpoort en op de plaats waar de sleutels vielen, ontstond de plant. Een andere lezing is dat 
de bloemen een baard vormden van een grote sleutel waarmee de hemelpoort geopend kon worden. Sedum komt vermoedelijk van het Latijnse sedare = verzachten. Enkele soorten uit het geslacht sedum hebben een helende en verzachtende werking. Telephium komt van Telephus. Dit was een koning van Mysië, die zijn wonden zou helen met deze plant

De hemelsleutel is een plant uit de vetplantenfamilie. Vetplanten vallen allereerst op door hun dikke vlezige bladeren. Bij de hemelsleutel zitten die bladeren zonder steel direct aan de stengel. Verder vallen de kleine bloemen op die in een bolvormige tros uitbundig bloeien. De bloemkleur van hemelsleutel varieert nogal, van groen tot lichtroze tot paars. Hemelsleutel is een echte plant van bermen en slootkanten waarbij vochtige en zandige bodems de voorkeur genieten. De naam hemelsleutel kent verschillende herkomstvormen, waarbij volksgeloof en religie de rode draad vormen.

                                                                          Bijvoet

                Bijvoet (Artemisia vulgaris)

Bijvoet heeft een ondergrondse verhoute wortelstok van waaruit, na de winter, de plant de grond uitschiet. Vanwege de vele vertakkingen doet de plant soms wat struikachtig aan. De stengels zijn over de hele lengte paars. 

Artemisia komt vermoedelijk van het Grieks artemés = gezond, vanwege de geneeskrachtige werking die van de plant uitgaat. Een andere lezing is dat bijvoet de plant was van koningin Artemis die alles over kruiden wist. Vulgaris betekent gewoon (veel voorkomend) Voor degene die goedkoop wat licht in de bol wil worden, kan bijvoet ook gerookt worden. Het heeft, zij het in lichtere mate, hetzelfde effect als marihuana.

Normaal gezien staan planten uit de composietenfamilie garant voor uitbundige bloemen. Voor de bijvoet gaat die vlieger niet op. Een onopvallende plant met bloemen van een paar millimeter. Voor hooikoortspatiënten is het geen plezierige plant want de mannelijke bloemen geven in augustus en september heel veel pollen af die door de wind worden verspreid. Voor de naam bijvoet moet je terug naar de Romeinse tijd. Romeinse soldaten bevestigden het kruid aan hun been of deden het in hun schoen om minder snel vermoeid te raken Bijvoet komt uit het geslacht alsem waartoe ook de absintalsem behoort. De absintalsem zal bij menigeen bekend zijn van de alcoholische drank absint, die begin 20e eeuw zelfs enige tijd verboden is geweest. 

                                                                         Nachtschade

          Zwarte nachtschade (Solanum nigra)

De bessen van de zwarte nachtschade kun je gewoon eten. De onrijpe groene bessen en de bladeren niet en die bevatten solasodine dat in een hoge dosis dodelijk is. Solanum is afgeleid van het Latijnse solari = pijnstillen en nigra = zwart vanwege de bessen die de zwarte nachtschade bij zich draagt. Gekookte aftreksels van nachtschade zijn goed tegen allerlei kwalen zoals tandpijn en gezwollen voeten. Bloemen van de aardappel en de zwarte nachtschade lijken nogal op elkaar, zij het dat die van de aardappel flink groter zijn. Een andere wilde soort uit de familie van de nachtschade is het bitterzoet, die hieronder apart behandeld is.

De tomaat, de aardappel en de aubergine zijn de bekendste soorten uit de nachtschadefamilie (solanum) Het zijn alle 3 kweeksoorten die de meesten van ons minstens een keer op het wekelijkse menu hebben staan. Bij veel mensen gaan nog de alarmbellen af als we het over nachtschade hebben in verband met de giftigheid van de plant. Dat is maar ten dele waar en geldt vooral voor de zwarte nachtschade. De naamgeving doet ook een duit in het zakje, want de veronderstelling kan post vatten dat de plant "schade" berokkent. Nachtschade komt echter van het middeleeuwse nachtschaduwe. In vroegere tijden dacht men dat de plant toverkracht bezat en nachtmerries verdreef. Overleveringen zitten vaak diep in de mensheid.

                Bloem van de aardappelplant

                                                                         Tandzaad

              Zwart tandzaad (Bidens frontosa)

                      Nootjes zwart tandzaad

Tandzaden zijn over het algemeen eenjarige planten die zich voortplanten door zelfbestuiving (autogamie) Zelfbestuiving wil zeggen dat het stuifmeel van de bloem wordt overgebracht naar de stempel van dezelfde bloem. Het tegenovergestelde is kruisbestuiving (xenogamie) Een andere variant is buurbestuiving (geitonomanie) waarbij het stuifmeel op een andere bloem komt van dezelfde plant (koninginnenkruid)

Een tamelijk invasieve plant is tandzaad. Tandzaad vindt men langs waterkanten, maar ik zag ze dit jaar droog gevallen stukken volledig overnemen, hetgeen wil zeggen dat de plant niet per definitie direct afhankelijk is van water. Meer specifiek hebben we het dan over zwart tandzaad dat herkenbaar is aan de tegenoverstaande, kruisgewijze bladeren. Dit blad is veerdelig en dat onderscheid de plant van de andere tandzaden zoals het veerdelig tandzaad. Niet helemaal logisch want het blad van het veerdelig tandzaad is gezaagd. De zogenaamde hoofdjes bestaan uit gele buisbloemen die na bevruchting uitgroeien tot nootjes. De nootjes bevatten weerhaken die op tandjes lijken (naamgeving) en aan alles blijven haken wat de plant beroert. Bidens komt van het Latijn bis = twee en dens = tand verwijzend naar de 2 weerhaken die op de vrucht staan. De foto hiernaast laten goed de 2 tandjes op de zaden zien. Frondosa betekent met veel bladeren. Grappig te vermelden is dat de eikhaas (paddenstoel) ook de familienaam frondosa draagt. Als je de eikhaas ziet moet je bladeren vervangen door de platen waaruit deze zwam is opgebouwd.

   Karakteristiek bloemhoofdje zwart tandzaad

                                                              Gekroesde melkdistel

      Gekroesde melkdistel (Sonchus asper)

Verder is de aanhechting van het blad aan de stengel van de gewone melkdistel en de gekroesde melkdistel verschillend. Gekroesd wil zeggen dat de blandrand sterk op en neer golft en daarin is de gekroesde melkdistel direct te herkennen. Voor onderscheid in de bloemen tussen gewoon en gekroesd moet een loep voor de dag komen. Sonchus komt uit het Grieks somphos  = hol, duidend op de holle stengel. Asper betekent ruw, verwijzend naar de omwindselbladeren. Hoewel de plant dus goed gedijt op vochtige grond kan ze ook lang stand houden in droge perioden, dankzij de lange penwortel.

Een plant van zeer vochtige bodems. Dit jaar (2018) erg veel waar te nemen op drooggevallen sloten en beken. In de Brand in Udenhout kwam ik er een paar honderd tegen. In tegenstelling tot de paarse distelsoorten hebben de melkdistels geen stekelig omwindsel. Uit de plant komt wit melksap (naamgeving) Buiten de gekroesde melkdistel kennen we ook nog de gewone melkdistel en de  akkermelkdistel. Deze laatste heeft gele klierhaartjes op de omwindselbladeren die bij de gekroesde melkdistel ontbreken. De bloem van de akkermelkdistel lijkt ook veel meer op een paardenbloem, terwijl de bloem van de gekroesde melkdistel uit louter buisbloemen bestaat

                                                                           Hengel

           Hengel (Melampyrum pratense)

Hengel is qua voorkomen een vreemd plantje. In de kustprovincies ontbreekt het geheel en in het oosten van het land is het algemeen. Ook in Brabant waar zure grond redelijk aanwezig is komt het relatief veel voor. Uit vroegere tijden is opgetekend dat hengel goed was als veevoer voor runderen en schapen. Linnaeus merkte daarbij op, dat de beste en meest gele boter verkregen werd van koeien die met deze plant bijgevoerd werden. En in het Engels bijgeloof heerste de mening dat vrouwen met een kinderwens een jongen baarde als men deze plant nuttigde. De cirkel is rond bedenk ik me opeens. Er werd driftig naar het nageslacht "gehengeld" in die tijden.(….)

Een plant die vooral in loofbossen te vinden is op zure en droge tot matige vochtige grond is  hengel. Hengel is een halfparasiet die vocht onttrekt uit de wortels van andere planten. Ik vond hem in de nabijheid van de bosbes, die de gastheer was. Over de naam hengel zwijgt floraland in alle talen, maar ook met de wetenschappelijke naamgeving is iets mis. De soortnaam pratense = in de weide groeiend, is misplaatst, want in weide kun je dit plantje zoeken tot je een ons weegt, maar daar ga je het niet vinden. Melampyrum komt uit het Grieks melas = zwart en pyros = koren. Zwartkoren dus en dat duidt op het feit dat de op koren gelijkende zaden zwart kleuren bij het drogen. Hengel heeft, net als het vlasbekje, een gemaskerde bloem. Dat wil zeggen dat op de onderste lip 2 welvingen zitten die de keel afsluiten. De zaden van hengel worden ook mierenbroodjes genoemd en mieren zorgen ook voor de verspreiding van de bevruchte zaden

 Hengel heeft een bovenstandig vruchtbeginsel

                                                                         Blaassilene

               Blaassilene (Silene vulgaris)

In mijn altoosdurende zoektocht naar wilde planten ben ik ze nog niet eerder tegengekomen Nou zou het aanmatigend zijn om dan meteen te veronderstellen dat het zeldzaam is, maar algemeen zeker niet. Ik kan natuurlijk ook de vraag aan de lezer stellen : hoeveel keer bent u de blaassilene tegen gekomen ? De plant komt uit de anjerfamilie en lijkt vanuit de verte op de avondkoekoeksbloem, die in september als paddenstoelen uit de grond schieten. Silene is vernoemd naar de bosgod Silenus die een opgezwollen buik had. Dat heeft natuurlijk betrekking op de dikke buikvormige kelk van deze plant. 

          Avondkoekoeksbloem (Silene latifolia)

Als ik naar mijn werk fiets, voert van de 17 km minstens de helft langs bloemrijke bermen. Het is vaak algemeen spul wat daar staat, maar heel soms moet ik in de remmen en in mijn arm knijpen. Zo ook bij de verschijning van de blaassilene die een meter of drie van het fietspad in vol ornaat stond te pronken. De plant gedijt het best op kalkhoudende grond en is daarom vrij algemeen in zuid Limburg, maar zeldzaam in de rest van Nederland. Daar zijn de meningen echter wel over verdeeld, want volgens Wikipedia is de plant algemeen voorkomend, maar volgens diverse florapagina's die er toe doen is ze toch vrij zeldzaam buiten Limburg

Vulgaris betekent gewoon al had die soortnaam van mij veranderd mogen worden in admodum = bijzonder. De blaassilene is een driehuizige plantensoort. Er zijn planten met alleen vrouwelijke bloemen, met alleen mannelijke bloemen en tweeslachtige planten. Dit fenomeen is zeldzaam in de natuur. De blaassilene kan tot 60 cm hoog worden en bloeit in de nazomer. Het is een overblijvende plant maar vreemd genoeg zag ik hem op mijn genoemde fietstocht voor het eerst. De bloemen zijn dag en nacht geopend maar beginnen tegen de avond pas te geuren. Dat is de reden dat de bestuiving plaats vindt door nachtvlinders. De honing zit vrij diep in de bloem maar nachtvlinders beschikken veelal over een lange roltong. Ook bij deze plant wordt door hommels met een korte tong "ingebroken" (zie vlasbekje) 

                                                                   Gewone hennepnetel

         Gewone hennepnetel (Galeopsis tetrahit)

De bloemen staan altijd in een schijnkrans in de bladoksels en de bladeren staan kruisgewijs tegenover elkaar (zie foto rechts)  De wetenschappelijke naam galeopsis is afgeleid van het Grieks galea = bunzing en opsis = voorkomen. Een en ander verwijst naar de bloem die, volgens de Grieken dan, vergelijkenis vertoont met de opgesperde bek van de bunzing. Fantasie kan de oude Grieken in ieder geval niet ontzegd worden. Tetrahit komt ook uit het Grieks van tetra = vier en itys = rand, verwijzend naar de vierkante stengel. Hennepnetel is een eenjarige plant en de plant kan tot een meter hoog worden.

Een plant die je vanaf juni vaak aan de rand van het bos ziet is de gewone hennepnetel. Humusrijke, vochtige grond heeft de voorkeur. De plant herken je aan de behaarde kroonbladen waarvan de bovenste twee de bovenlip vormen en de onderste drie de onderlip waarvan de middelste bijna vierkant is. Voeg daaraan toe de vierkante behaarde stengel en je hebt de hennepnetel ten voeten uit. Ook zijn broertje, de gespleten hennepnetel, herken je vrij makkelijk want daar is de genoemde onderste middenslip, ingesneden. De plant dankt zijn naam aan het feit dat de bouw aan die van een dovenetel doet denken én omdat het blad lijkt op één enkel blaadje van het samengesteld blad van de hennepplant. De bloemen van de hennepnetel kunnen nogal eens verschillen van bijna paars naar roze en wit. Evenals bij de dovenetels heeft ook de hennepnetel geen brandharen zoals het geslacht urtica  

                                                                   Grote klis

                  Grote klis (Arctium lappa)

De grote klis staat goed bekend in de (volks)geneeskunde. Met name voor huidaandoeningen zoals herpes en acne schijnen de in pilvorm aangeboden producten serieus te werken. De grote klis staat tevens bekend om zijn B12 gehalte waarvan menig slager zal beweren dat het alleen in vlees voorkomt. Extracten van de wortel zijn ook werkzaam tegen vet haar en roos. De geslachts-  naam artium komt van het Grieks arktos = beer. De vruchtomhulsels worden gekenmerkt door veel beharing, zoals een beer ook veel haar heeft. Niet erg steekhoudend wat mij betreft, want onze hond heeft ook veel haren zoals wij elke dag mogen ervaren (…) Lappa komt van het Grieks lambadoo = grijpen duidend op de haakvormige stekels van de omwindselbladeren. 

De uitvinder van de klittenband zal vast wel eens tegen dit plantje aangelopen zijn. Tijdens het fotograferen van slangenkruid zat ik pardoes midden in een grote klis en ben ongeveer een kwartier bezig geweest om de bruine uitgebloeide bloemhoofdjes van mijn kleren te krijgen. De buisbloem van de grote klis lijkt veel op die van distels, maar het groot, rond en niet stekelig blad maakt het verschil. Behalve de grote klis is er ook nog de gewone klis. Het verschil hier zit hem in de stengel die bij de gewone klis hol is en bij de grote klis massief. Verder is het blad van de grote klis vele malen groter. Grote klis is een 2 jarige plant die je niet al te vaak in Brabant aantreft. Het is bij uitstek een plant van het rivierengebied. De plant heeft een flinke penwortel, die een halve meter lang kan worden. 

                        Buisbloem grote klis

De bloem van de grote klis wordt veel bezocht door aardhommels. Het groene omwindsel verkleurt gaandeweg naar bruin en deze bruine omwindsels grijpen zich vast aan alles wat de plant aanraakt. Deze, ietwat kleverige, bruine bollen zitten boordevol zaden.

                                                                    Ranunculus 

 Middelste waterranonkel (Ranunculus aquatilis)

De middelste waterranonkel (afbeelding hierboven) is te onderscheiden door het 3 lobbig blad dat boven het water uitsteekt. Hij verschilt verder van de kleine waterranonkel doordat de witte kroonbladen overlappen. De soortnaam aquatilis hoeft verder weinig uitleg, letterlijke betekenis = in het water levend. Een van de eerste planten die in de late winter aan de waterkant te vinden zijn, is het gewoon  speenkruid. De wortelknollen van deze plant lijken op spenen en daaraan dankt de naam zijn plant. Het sap van deze wortels werd vroeger op aambeien gesmeerd. Daar speen een ander woord is voor aambeien zou de naam daar ook vandaan kunnen komen. De wetenschappelijke naam is ficaria verba, ficaria is afgeleid van ficus = vijg duidend op de wortelknollen en verna = van de lente.

       Scherpe boterbloem (Ranunculus acris)

Een andere vertegenwoordiger, en veel voorkomend, is de kruipende boterbloem. Op het eerste gezicht lijkt deze boterbloem nogal op de scherpe boterbloem, maar het best kun je naar de stengel kijken. Die is bij de kruipende boterbloem gegroefd en bij de scherpe boterbloem glad. Boterbloemen bevatten weinig nectar en je zal er dus weinig tot geen vlinders op aantreffen. Insecten op boterbloemen zijn daar primair voor het stuifmeel. De kruipende boterbloem heeft bovengrondse wortelstokken en kan zo in korte tijd een flinke oppervlak beslaan. De naam boterbloem komt van de glanzende boterkleurige bloemblaadjes. De kruipende boterbloem wordt door tuinliefhebbers verfoeid, want eens in je tuin krijg je hem er erg lastig weer uit. De weten- schappelijke naam repens betekent kruipend. In tegenstelling tot de scherpe boterbloem is de kruipende boterbloem na juli wel verdwenen.

        Blaartrekkende boterbloem (Ranunculus sceleratus)

De laatste soort ranonkelachtige die ik tot dusver tegen gekomen ben is de egelboterbloem. Deze plant komt hoofdzakelijk voor op vochtige en drassige plaatsen. De bloemen zijn tot 2 cm groot en ook deze plant is giftig door het aanwezige anemonol. De wetenschappelijke soortnaam flammula betekent vlammend en refereert aan de giftigheid die een stekende nasmaak achterlaat. De plant is tot diep in de herfst nog te vinden. Andere vertegenwoordigers uit de ranonkelfamilie zijn de (zeldzame) akkerboterbloem (Ranunculus arvensis) en de (zeer zeldzame) kalkboterbloem (Ranunculus polyanthemoides) 

Het geslacht ranunculus uit de ranonkelfamilie kent nogal wat vertegenwoordigers in Nederland. Onder dit geslacht vallen o.a. de boterbloemen en waterranonkels. De gids wilde planten van de Benelux behandeld er een kleine 30. Ranonkel komt van het Latijn ranunculus en dat is het verkleinwoord van rana = kikker. Het verwijst naar de bladkleur dat overeenkomst vertoont met kikvorsgroen, hoewel een andere lezing is dat de planten steeds voorkomen in natte gebieden waar kikkers zitten. In de regel geldt dat het meestal overblijvende, kruidachtig planten, zijn met gele of witte bloemen. Als de kroonbladen wit zijn, is het hart altijd geel. 

Gewoon speenkruid (Ficaria verna) De veroudere wetenschappelijke naam (Ranunculus ficaria) verwijst meer naar de ranonkelachtigen

In Nederland komen 9 soorten boterbloemen voor en bij sommigen is alleen het blad of stengel verschillend. De scherpe boterbloem (foto links) is wel een van de meest voorkomende boterbloemen en kan in het vroege voorjaar hele velden geel kleuren. Het is ook de boterbloem die het meest door insecten wordt bevrucht. De scherpe boterbloem heeft een zogenaamde slaapstand. Bij regen gaan ze zover doorhangen dat de meeldraden en stampers droog blijven. De scherpe boterbloem is, net als alle ranonkel- achtigen giftig. Een stukje van deze plant in je mond geeft direct een scherpe smaak aan de tongpunt. De wetenschappelijke soortnaam acris = scherp, duidt ook op de scherpe smaak van de plant. Hoewel ze in de lente het talrijkst zijn, is de scherpe boterbloem tot in de herfst te vinden

      Kruipende boterbloem (Ranunculus repens)

De meest giftige boterbloem die we kennen is de blaartrekkende boterbloem (foto links). Het sap van deze boterbloem bevat de hoogste concentratie protoanemonine en veroorzaakt ontstekingen op de huid die iets serieuzer zijn dan de naam "blaartekkend" doet vermoeden. Hoewel de plant algemeen is, valt ze niet zo op want de bloemen zijn nog geen cm groot. De vruchtzuilen groeien uit tot kleine knotsen en dat maakt de plant onmiskenbaar. De blaartrekkende boterbloem is een plant van natte oevers en moerassen. Bij de ranonkelachtigen zie je steeds het verschijnsel 5 kroonbladen en 5 kelkbladen. Dat is bij deze kleine variant niet anders. De soortnaam sceleratus betekent letterlijk misdadig. Dat zal wel verwijzen naar de giftigheid, die je bij zo'n klein plantje niet verwacht (….) De blaartrekkende boterbloem is te vinden tot diep in oktober

                    Egelboterbloem (Ranunculus flammula)

                                                                    Kaal knopkruid

         Kaal knopkruid (Galinsoga parviflora)

De geslachtsnaam Galinsoga is vernoemd naar een Spaanse botanicus (Don Mariano Martinez de Galinsoga (1766-1797) De soortnaam parviflora betekent met kleine bloemen. Rond 1800 is het kruid vanuit een botanische tuin in Parijs verwilderd en door de legers van Napoleon door heel Europa verspreidt. De Duitse naam Französenkraut refereert aan die ontwikkeling. De soort kent ook nog een harig knopkruid (Galinsola quadriradiata) waarvan de stengel voorzien is van afstaande witte haren. Beide soorten zijn algemeen vertegenwoordigd in Brabant.

Bij het kaal knopkruid zo je zomaar aan een madeliefje kunnen denken, dat door te weinig zonlicht achtergebleven is in de ontwikkeling. De bloemen zijn amper 1 cm groot en bestaan uit gele buisbloemen en 4 witte lintbloemen. De plant komt oorspronkelijk uit Peru. Het is een eenjarige plant die zich razendsnel voortplant en in een seizoen 3 generaties voort kan brengen. Een plant levert meer dan 100.000 zaden. Veeleisend is de plant niet. Een ietwat vochtige bodem met veel licht is voldoende.  Onder landbouwers is de plant geen graag geziene gast en het wordt dan ook beschouwd als onkruid. Dit "onkruid" is wel eetbaar. De jonge bladeren en de stengel kunnen in de soep, in een stamppot gebruikt worden of als salade gegeten worden.

                                                                         Vlasbekje

                   Vlasbekje (Linaria vulgaris)

Het nadeel hiervan is dat de bloem niet bestoven wordt. Dit fenomeen heet in de insectenwereld heel toepasselijk "inbraak". Linaria komt van het Latijn linum = vlas en vulgaris = algemeen voorkomend. Het vlasbekje is een overblijvende plant van het taaiere genre. De plant kan tot 90 cm hoog worden, hoewel ik ze nog nooit boven de halve meter gezien heb. De wortel kan tot een meter diep zitten en indien men de wortel niet geheel verwijderd gaat het plantje vrolijk verder. Een plant kan meer dan 30.000 (...…) zaden voortbrengen. Deze zaden werden in de volksgeneeskunde gebuikt als laxeermiddel. Er bestaan ook nog purperen varianten in de familie van het vlasbekje zoals het zeldzame walstroleeuwenbekje (Linaria purpurea) en het gestreepte leeuwenbekje (Linaria repens) Natuurlijk staan ook die op mijn bucket list.

Het vlasbekje is een algemeen voorkomende plant die in augustus onze bermen en slootkanten geel-oranje kleurt. Het vlasbekje werd vroeger ook wel vlasleeuwenbekje genoemd. De naam vlas is afkomstig van de bladgelijkenis met de vlasplant (zie rubriek vlas). Vlasbekje en vlas zijn echter geen familie van elkaar, want het vlasbekje behoort tot de weegbreefamilie en vlas tot de vlasfamilie. Het (leeuwen)bekje duidt op de muilachtige vorm van de gele bloem. Het vlasbekje is een echte hommelplant. De hommels zijn in staat de boven en onderlip van de bloem uit elkaar te drukken en zo de nectar te bereiken. Daarbij vergaren ze ook stuifmeel die ze bij een volgende bloem op de stempels afgeven. Evenals bij de smeerwortel en de dopheide kunnen alleen hommels met een lange tong bij de nectar. Andere hommels boren een gat in het spoor en kunnen dan vanaf de buitenkant bij de nectar.

                                                               Haag- en akkerwinde

          Akkerwinde (Convolvulus arvensis)

De akkerwinde die ik tegenkwam had niets om tegen op te klimmen en dan blijft de plant met 20 cm relatief laag. De stengels bij de akkerwinde liggen op de grond en zodra hij iets tastbaars heeft gaat hij de hoogte in. De familienaam arvensis voor de akkerwinde betekent in de akkers groeiend. Bij de haagwinde betekent de soortnaam "sepium" van de heg. Opmerkelijk gegeven bij de haagwinde is dat de windende stengel zich ook de grond in kan boren, bijvoorbeeld bij een steil talud. Daar vormt zich dan een knolletje van waaruit zich in het voorjaar een nieuwe plant de lucht inslingert.

Twee op het eerste oog gelijkende planten zijn de haagwinde en de akkerwinde. Beide soorten zijn rijkelijk aanwezig langs sloten en in bermen hoewel je de haagwinde in onze contreien meer zal zien. Het verschil zit hem vooral in de grootte van de bloem die bij de akkerwinde veel kleiner is. De bloemen van de akkerwinde kleuren ook meer roze waar die van de haagwinde overwegend wit blijven. Verder heeft de haagwinde een rond blad en is dat van de akkerwinde ovaal. Een ander verschil is de hoogte die de planten kunnen bereiken. Haagwinde kan tot 3 meter hoog worden. De akkerwinde tot 1 meter. Beide planten zijn wel afhankelijk van een gastheer. De geslachtsnaam convolvulus komt van convolvere = zich ergens omheen wikkelen. Ook de Nederlandse naam winde verwijst daar naar. 

          Haagwinde (Convolvulus sepium)

                                                                     Klokjesgentiaan

      Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe)

De plant kan tot 60 cm hoog worden, maar de 10 planten die ik vond waren nooit groter dan 20 cm. De wetenschappelijke soortnaam Gentiana is reeds verklaard, de soortnaam pneumonanthe verwijst naar pneumo = long en anthos is bloem. De longvorm kan men enigszins projecteren op de beginnende bloem. De klokjesgentiaan is waardplant van het gentiaanblauwtje, een zeldzame vlindertje van 30 mm dat enkel en alleen zijn eitjes afzet op deze plant. Daarmee is meteen de volgende doelstelling vastgelegd. En wel dit gentiaanvlindertje op het klokjesgentiaan vast te leggen. Twee zeldzaamheden in een opname. Mooier dan dat kan de wereld van mijn spiegelreflexcamera niet worden. Mooier dan dat, buiten al het moois dat ik al gezien heb, kan zelfs mijn eigen wereld niet worden.

Toen ik in 2013 mijn spiegelreflexcamera kocht was dat primair om mooie natuurplaatjes te schieten. Ik weet me nog heel goed te herinneren dat ik destijds op de site van natuurgebied de Kampina de zeldzame klokjesgentiaan voorbij zag komen en de wens uitsprak dat ooit nog eens vast te kunnen leggen. 5 jaar later is die wens vervuld, niet op de Kampina overigens, maar dat is bijzaak. De naam gentiaan komt uit het Latijn gentiana een afgeleide van Gentius, koning van Illyrië, in welk rijk de plant het meest mooi was (...) Illyrië was een rijk dat thans Albanië en ex Joegoslavië behelst. Als het daar nog schoner was dan ik het hier zag dan zou ik wel voor even Illyriër willen zijn. De klokjesgentiaan heeft het moeilijk want het heeft de voorkeur voor natte heide en venige bodems. Daarbij moet die bodem licht zuur en voedselarm zijn. Het is een overblijvende plant, die als de condities daar zijn, wel 30 jaar oud kan worden. 

Van de gentiaan zijn ook diverse cultivars in omloop. Het plantje heeft altijd al indruk op me gemaakt vanwege de diepblauwe kleur. Naast het graf van mijn vader stonden wat herfstgentianen die inspireerden tot dit gedicht

Vader

Knoppen van de blauwe gentiaan                                                                                                        rillen nog na van de koude nacht                                                                                                            de schaduw van de ranke taxuslaan                                                                                                  werpt zich traag over deze bloemenpracht.

Een lijster begroet de ochtendzon                                                                                                    vanuit een welriekende ceder                                                                                                             de natuur was voor ons de levensbron                                                                                              waarin ik me nu eenzaam verteder.

Terwijl intens gemis naar je zerk staart                                                                                                 en de tijd zijn werk heeft gedaan                                                                                                           is de herinnering aan je zachte aard                                                                                                   als de bloem van de blauwe gentiaan

                                                                          Dopheide

                 Dopheide (Erica tetralix)

Erica tetralix zoals dopheide voluit heet, verwijst met tetralix ook naar de bladvorm. Tetra = vier en helix = gewonden = kransen van 4 bladeren.

Dopheide is een belangrijke nectarplant voor hommels en het heideblauwtje (vlinder) Alleen hommels met een lange tong (aardhommel) kunnen direct bij de nectar, maar hommels met een korte tong (steenhommel) boren aan de zijkant een gaatje om bij de nectar te kunnen. Dit fenomeen doet zich ook voor bij o.a.de smeerwortel.

Ik ken, behalve dopheide, eigenlijk niet een plantje waarvan de wetenschappelijke naam meer ingeburgerd is dan de Nederlandse naam. Vraag een willekeurige passant naar de plant erica en hij of zij zal toch met (dop)heide antwoorden. Erica is dan ook het Latijn voor heidestruik en daar kan wat verwarring optreden want je hebt ook nog de struikhei (calluna vulgaris). Struikhei en dopheide liggen elkaar niet zo, hoofdzakelijk omdat de struikhei de dopheide overwoekert en verdringt. Waar struikheide makkelijk een meter hoog wordt, zal dopheide vaak de helft halen. De bloeiwijze van de dopheide is een schermvormige tros en zijn bladeren neigen ietwat naar dennennaalden. Bij de struikheide zie je de bladeren dakpans- gewijs aan de stengel zitten. 

                                                                           Luzerne

                    Luzerne (Medicago sativa)

Het wetenschappelijke medicago komt uit het Latijn en betekent, uit Medië afkomstig. Medië was een oud rijk ten westen van Iran en ten zuiden van Azerbeidjan. We hebben het dan over 2500 jaar geleden en toen was het plantje al vanwege zijn voedzaamheid voor vee in zwang. Uit de soortnaam sativa valt op te maken dat het een cultuurgewas is, want sativa betekent letterlijk "hij die gezaaid wordt". De groene plant bevordert de opname van mineralen, eiwitten en andere voedingsstoffen. De plant is cholesterolverlagend en ook bloedsuikerverlagend. Luzerne is ook bekend als alfalfa. Alfalfa is de Spaanse vorm van het Arabische "al-fac-facah", wat vader van alle voedsel betekent.

Luzerne is van origine een voedergewas, dat zo nu en dan verwilderd in bermen en ruigten opduikt. Luzerne doet, door de bladstand, wat klaverachtig aan en de plant wordt ook gekend als Franse klaver. Luzerne is een plant die al meer dan 2000 jaar voor veevoer wordt verbouwd. Luzerne was het voer voor de cavalerie en de trekpaarden van de oude Grieken en Romeinen en is een uitstekend groenvoer. In de landen rond de Middellandse Zee is luzerne nog steeds belangrijk als veevoer. De plant heeft een diep wortelsysteem en kan daarom droogte en volle zon goed weerstaan. De bloeiwijze bestaat uit trossen met veel bloemetjes waaruit later de peulvruchten groeien. De naam luzerne komt vermoedelijk van het Latijnse lucerne en betekent lamp en verwijst naar de heldere zaden van de plant.

                                                                         Wilde peen

                   Wilde peen (Daucus carota)

Carota betekent saffraankleurig en verwijst naar de vaak roze gloed die over het witte scherm hangt. Het vogelnestje biedt vaak onderkomen aan diverse insectensoorten. De "soldaatjes" of weekschildkever zie je er zeer vaak op en wantsen maken er ook dankbaar gebruik van. Als ik in vroege ochtenden langs "vogelnestjes"  wandel kijk ik er altijd in om te zien welke insecten er de nacht in doorgebracht hebben. Wilde peen is van wortel tot kruin te benutten voor geneeskundige kracht. De wortel is erg voedzaam en bevat nagenoeg dezelfde stoffen als de gekweekte oranje wortel. Vitamine C, B1, B2 en betacaroteen, dat door het lichaam omgezet wordt in vitamine A. Wilde peen is ook goed voor de spijsvertering omdat het de galproductie verhoogt en zodoende de leverfunctie verbetert. 

Een plantje wiens schoonheid ondergeschikt is geraakt door zijn algemeenheid is de wilde peen. In juli stikt het er werkelijk van in de bermen, maar heeft u deze pracht al eens van dichtbij bekeken? De plant komt uit de schermbloemfamilie en is een tweejarige plant, die pas in het 2e jaar bloeit.  Het ingenieuze "vogelnestje"  maakt dat ik elke keer weer even bij dit plantje stil moet staan.  Het "vogelnestje" bestaat uit omwindselblaadjes, die na rijping naar binnen slaan. Vaak wordt gedacht dat het "vogelnestje" het begin van de bloei is, maar het is juist het eind daarvan. Daucus is afgeleid uit het Grieks en betekent wortel. De wortel is wit en vertakt. De oranje wortel die wij kennen als groente is botanisch gezien dezelfde soort als wilde peen.  

             "Vogelnestje" met pyjamawantsen

                                                                             Vlas

                    Vlas (Linum usitatissimum)

Het wetenschappelijke linum komt uit het Grieks linon en betekent draad of lijn. Dat verklaart de term lijnzaad en min of meer ook de geschiktheid tot het maken van touw. Usitatissimum is de overtreffende trap van het Latijnse usitare = veel gebruikt. De naam vlas komt uit het hoog-Duits Flahs, hoewel sommige het houden bij het oud- Franse flax. Bij het zien van het vlas moest ik onwillekeurig denken aan het boek van Stijn Streuvels, de Vlaschaard, waarin een (destijds) onmogelijke liefde van de heereboerenzoon tot een generatieconflict leidt. Ik heb wel meer last van gedachtenkronkels in zoverre je het een last kunt noemen. Het boek is trouwens beter dan de film, maar hoe dan ook indrukwekkend.  

Vlas is van origine een cultuurgewas dat zo nu en dan eens verwilderd. In Zeeland zie je nog wel een eens uitgestrekt veld met vlas, maar de tijden dat vlas de belangrijkste leverancier van linnen was zijn allang passé. Het zaad van vlas is lijnzaad dat vooral bekend is vanwege de licht laxerende werking en voor dat zaad wordt het heden ten dage nog verbouwd. Heel lang valt er niet te genieten van de bloem, want ze bloeit maar een paar dagen en bloemen openen zich alleen in de ochtenduren. Centraal bij deze plant staat het getal 5. De plant heeft 5 meeldraden, 5 kroonbladen, 5 kelkbladen en de vrucht zit in 2 blokjes van elk 5 zaden. De steel is erg veerkrachtig en werd in vroegere tijden gebruikt voor het vervaardigen van touw.

                                                                  Gele lis en lisdodde

                   Gele lis (Iris pseudacorus)

Pseudacorus betekent letterlijk valse acorus (kalmoes) De grote lisdodde kent vele bijnamen zoals bruine sigaar of rietsigaar. Hij verschilt van de kleine lisdodde door een breder blad en hoewel ze beide tweearig zijn, staan de aren van de kleine lisdodde verder uit elkaar. De dubbele aar bestaat uit een vrouwelijk bloem (onder) en een mannelijk bloem (boven) De planten hebben grote wortelstokken waaruit zich uit het niets de metershoge stengels ontwikkelen. Grote lisdodde bloeit van juni tot juli en het vrouwelijke deel ontbindt pas in het voorjaar in een soort pluizenbol waaruit de zaden verspreid worden door wind of water. Typha komt van het Grieks tiphos = moeras. Latifolia betekent, met brede bladeren. De grote lisdodde brengt veel zaad voort en heeft een lange levensduur. Dat is een redelijk uniek verschijnsel, want normaliter hebben planten met veel zaad een korte levensduur of planten met weinig zaad een lange levensduur.

Als kind dacht ik altijd dat die bruine sigaren een soort bloeiwijze was van de gele lis. Het woordje lis deed me hier de das om. Het verstand komt met de jaren, want de gele lis en de lisdodde zijn natuurlijk 2 aparte soorten. De gele lis is een echte voorjaarsplant die oevers prachtig geel kan kleuren. De bloemvorm is tamelijk uniek in floraland , met 3 in het oog springen buitenste bloemdekbladen en 3 veel smallere binnenste bloemdekbladen. De nectar is lastig te vergaren en alleen bereikbaar voor insecten met een lange tong zoals hommels. Iris komt uit het Grieks en betekent regenboog verwijzend naar de sierlijk gebogen buitenste bloemdekbladen.

                Grote lisdodde (Typha latifolia)      duidelijk onderscheid in de mannelijke aar boven en vrouwelijke aar onder

                                                                       Betonie

                   Betonie (Stachys officinalis)

De bloeiwijze van de meeste andoornsoorten lopen over een groot gedeelte van de steel tot de top uit, maar bij betonie is alles veel gedrongener. De betekenis van betonie is volgen de etymologiebank de volgende. Betonie [plantensoort] {1253} < oudfrans betonie < latijn betonica, vetonica, vettonica, volgens Plinius afgeleid van Vettones [een keltische volksstam levend tussen Taag en Douro in Lusitanië (Portugal)]  Hoewel de bloem redelijke zekerheid biedt dat je met betonie te maken hebt, zijn er toch aanvullende kenmerken nodig om zeker te zijn van de zaak. Die kenmerken zijn : gekarteld blad dat in twee of drie paar aan de vierkante stengel bevestigd is. Net boven de grond een wortelrozet van bladeren die groter zijn dan de stengelbladeren. Betonie heeft officinalis als

Verspreiding betonie (bron : Flora van Nederland)

De kans is aanwezig dat u nog nooit van betonie gehoord heeft. Neem het u vooral niet kwalijk, want ik had er zelf ook nog nooit van gehoord. Eerst de verwarring met bernagie (komkommerkruid) maar uit de wereld helpen, want dat is echt van een andere orde. Ik heb inmiddels een aardig clubje op social media, waar determineren van zaken die je niet kent meestal vrij rap gebeurt. Ook hier, maar de oooh's en aaah's waren niet van de lucht. Als je het verspreidingskaartje bekijkt weet je direct waarom. Betonie is uiterst zeldzaam en staat sinds 2012 op de rode lijst met de kwalificatie : bedreigd. Betonie is uit de familie van de andoorn, maar is daar een buitenbeentje. 

       Betonie : tegenoverstaand gekarteld blad 

wetenschappelijke soortnaam en dan weet je al meteen dat er veel geneeskracht vanuit gaat. Een kleine, onvolledige, opsomming : zwakke zenuwen, hoge bloeddruk, hoofdpijn door stress, angina, tandvleesontsteking, darmontsteking. De wetenschappelijke naam stachys, betekent aar en dat verwijst naar de bloeiwijze. Betonie gedijt het best op kalkhoudende grond. (Limburg) Dat deze plant in een midden- Brabants natuurgebied tevoorschijn komt is een unicum te noemen. Ik vind de laatste tijd nogal wat rode lijst soorten en heb daar een dubbel gevoel bij. Enerzijds ben ik enorm verheugd dat mijn inspanningen beloond worden met zeldzame soorten, maar anderzijds tempert het bestaan van een rode lijst die euforie. Als je kijkt hoe groot die lijst bij alleen planten al is, dan wordt men daar niet vrolijk van.

                                                                Grote kattenstaart

             Grote kattenstaart (Lythrum salicari)          

Salicaria van salix = wilg, duidend op het blad dat sterke gelijkenis vertoont met het wilgenblad. Grote kattenstaart heeft een geneeskrachtige werking tegen huidaandoeningen. Daar waren ze 25 eeuwen geleden al achter. Volgens Plinius zou de schoonzoon van Hippokrates, Erasistrates, zichzelf met de plant behandeld hebben toen hij aan eczeem leed. Maar ook tegen diarree en dysenterie werd de plant vroeger gebruikt. De stengel en bladeren bevatten tannine dat o.a. als looistof in leerlooierijen gebruikt werd. Tannine zit bijvoorbeeld ook in thee en wijn (of eigenlijk de druiven) Wie wel eens een pitje van een druif stuk gebeten heeft weet dat dit een wrange smaak in je mond geeft. Deze smaak ontstaat door de tannine. De grote kattenstaart is de nectarplant van de grote vuurvlinder, die helaas ernstig bedreigd is in Nederland. De plant wordt tevens ook gebruikt, als waardplant, door het boomblauwtje (zie rubriek vlinders)   

Een plant die hier al jaren aan de stadsvijver staat is de grote kattenstaart. Zo half juni lijkt het er vaak op dat ze uit het niets opkomen. Een goede zoetwaterstand en dus een drassige omgeving zijn voldoende voor deze plant. En als die omstandigheden zich aandienen dan kan hij wel 1,5 meter hoog worden. Hij is er makkelijk uit te halen en als je hem al zou verwarren met bijvoorbeeld het harig wilgenroosje dan biedt de stengel uitkomst want die is vierkant of zeshoekig. De Nederlandse naam heeft wat verbeeldings- kracht nodig. De naam kattenstaart verwijst naar de vorm van de lange bloeiaar die op de staart van een kat lijkt. Dan heb ik meer met de wetenschappelijke naam Lythrum salicaria. Lythrum van het lythron = uit wonden vloeiend en natuurlijk verwijzend naar de bloemkleur. 

                                                                    Gewone brunel

           Gewone brunel (Prunella vulgaris)

Gewone brunel komt uit de familie lipbloemigen zoals o.a. de hieronder beschreven hoenderbeet  en moerasandoorn. In Scandinavië komt ook nog de grote brunel voor (Prunella grandiflora) De Engelselen hebben superlatieven tekort voor het plantje want daar heeft het de bijnaam "heal all". Beetje "exaggerated" als je het mij vraagt, maar brunel wordt wel als effectief beschouwd bij ontstekingen in de mond. Dodonaeus schreef daar in de 16e eeuw al over "Bruynelle gheneest oock die sweeringhen des monts/ ende es seer sonderlinghe tseghen die sieckte der tonghen diemen den bruynen noempt/ dat es als die tonge onsteeckt/ swert wordt ende seer dick swilt/ alsmen die selve in water siedt ende die mont daer mede dicwils spoelt"                               Die Dodonaeus was geen snotneus op het gebied van natuurgeneeskracht. Het Dodoens cruydt boeck uit 1554 is een zeer indrukwekkend boekwerk. 

Het eerste wat ik bij de wetenschappelijke naam prunella dacht was, wat heeft deze plant met de pruim te maken ? Prunella komt tenslotte van prunus = pruim. Niet dat het plantje vruchten à la pruim draagt, maar het verwijst naar de kleur van de bloem die men vergelijkt met de pruimenkleur. Overigens heette het plantje vroege brunella en dat is verbasterd naar prunella. Brunella = bruin en als de bloem is uitgebloeid resteert inderdaad een bruine kroon. Het plantje kan zich uitstekend handhaven tussen alle hoge begroeiing waartussen ik het zag staan. Veel hoger dan 25 cm heb ik ze niet gezien, maar volgens naslagwerken kan de plant 45 cm hoog worden. Gewone brunel heet in de volksmond ook wel bijenkorfje. Dat duidt niet op het feit dat de plant, zoals bij phacelia, vaak door bijen bezocht wordt, maar verwijst naar het uiterlijk van de uitgebloeide bruine gedrongen bloeiwijze 

                                                                Naar de heilige Antonius

      Grote teunisbloem (Oenothera glaziovia)

soorten zijn eigenlijk allemaal bastaarden. De  naam teunisbloem is ontstaan uit het gewijd zijn aan de heilige Antonius (sterfdag 13 juni), een naam die verbasterd werd tot Teunis. Het wetenschappelijke Oenothera is waarschijnlijk afgeleid van het Grieks oenanthe. De oude Grieken noemden alle planten oenanthe die tegelijkertijd met de wijngaard bloeiden. Glaziovia is vernoemd naar Françoise Marie Glaziou, een Franse botanicus. De teunisbloem kan van bloem tot wortel gegeten worden. De teunisbloemolie wordt uit de zaden gewonnen. De olie helpt o.a. om het cholesterol gehalte en de bloeddruk te verlagen.

Wie in juni een fietstochtje maakt zal bijna zeker langs deze gele bloemenpracht gekomen zijn. De teunisbloem is soms rijkelijk aanwezig. We hebben het dan wel in 9 van de 10 gevallen over de grote teunisbloem. We kennen in Nederland ook nog de middelste teunisbloem, de duinteunisbloem en zandteunisbloem. Het verschil zit hem vooral in de bloemgrootte. De grote teunisbloemen zijn 35 tot 50mm groot en die van bijvoorbeeld de middelste teunisbloem maar 20 tot 28mm. De teunisbloem komt  van origine uit Noord-Amerika van waaruit ze in de 17e eeuw in Europa is ingevoerd. Van dat origineel is niet veel meer over want de inheemse

     Middelste teunisbloem (Oenothera biennes)

                                                                        Gele kamille

            Gele kamille (Anthemis tinctoria) 

Kamille is ontleend aan het Griekse khamaímēlon, dat letterlijk grondappel betekent. De geur van de fijngewreven bloem doet aan appels denken en in sommige streken van België noemen ze de plant ook grondappel. Gele kamille komt uit de composietenfamilie, waartoe o.a. ook de gelijkende gele ganzenbloem behoort. Herkenning zit hem evenwel in het blad dat bij de kamille geveerd is en bij de ganzenbloem grof getand. De wetenschappelijke naam Anthemis komt van Grieks anthemon = bloem. Tinctoria = als verfstof gebruikt. Kamille heeft een genees-krachtige werking en schijnt vooral te helpen bij ontstoken tandvlees en kiespijn. Vóór de uitvinding van kinine werd de plant ook gebruikt voor het verminderen van koorts.

Langs een zandpad met overwegend groot streepzaad trof ik in een strook van 10 meter de gele kamille aan.  Ik ben vaak gebiologeerd op wat er langs de weg staat en soms moet je twee keer kijken. Zeker de variëteit van gele bloemen maakt dat je alert moet blijven. Dat wil niet zeggen dat ik de soorten niet herken, maar als je 50 meter groot streepzaad voorbij ziet komen lijkt alles wat geel is daar op. De wilde gele kamille waar we het over hebben, is een vrij zeldzame soort voor onze contreien. In de verschillende verspreidings-atlassen worden Limburg en Zuid-Holland als meest voorkomende verspreidingsgebieden aangegeven.

                                                 Gele ganzenbloem (Glebionis segetum)

                                                                           Digitalis

         Vingerhoedskruid (Digitalis purpurea)

De plant is erg giftig en bevat de o.a de stof digoxine, die gebruikt wordt voor de behandeling van hartritmestoornissen. Voor de Nederlandse benaming hoef je weinig fantasie te hebben, als je tenminste het vingerhoedje uit moeders naaigereikistje meegemaakt hebt. Ook de wetenschappelijke naam digitalis verwijst naar de vingerhoed. Digitus = vinger en digitale = vingerhoed. Purpurea = purperachtig hoewel er ook een witte variant is, die door sommigen als aparte soort beschouwd wordt.

Als er één plant is die weinig introductie behoeft dan is het wel het vingerhoedskruid. Ik zou bijna zeggen, wie is er niet mee opgegroeid. Hij heeft op mij altijd indruk gemaakt, misschien vanwege zijn giftigheid, maar zeker vanwege de prachtige trossen bloemen. Reeds in de vroege ochtend zijn hommels al actief om de nectar uit deze plant te verzamelen. 20 jaar geleden was ik er al lyrisch over. 

Giftige planten tegen winderige struwelen       immer aan schaduwrijke grond verknocht   zwierige hommels smeren daar hun kelen         met een oneindige voorraad nectarvocht

Wanneer de fleurig hangende bloementrossen aanstonds het licht van de dageraad aanraken weet ik dat aan de rand van deze bossen          een schitterend palet van roze zal ontwaken


                                                                         Bosorchis

                Bosorchis (Dactylorhiza fuchsii)

Als natuurliefhebber ben ik er inmiddels achter dat waar je ook bent het altijd opletten geblazen blijft. Soms kom je iets tegen waar je het totaal niet verwacht en dat maakt de vele natuurtochten ook zo interessant. Niet anders verging me dat bij de bosorchis. Fietsend over het Bels Lijntje zag ik in de bermbegroeiing dit plantje van net 20 cm hoog. Gewoon langs een fietspad in de berm een toch betrekkelijk zeldzame soort. Hij wordt gezien als ondersoort van de gevlekte orchis en het verschil zit hem in de drielobbige onderlip van de bloem  die bij de gevlekte orchis in mindere mate aanwezig is. De gevlekte orchis is bovendien aan de bovenkant spits en de bosorchis is meer afgestompt. De wetenschappelijke naam Dactylorhiza is afgeleid van het Griekse dactylus (teen of vinger) en rhiza = wortel. Fuchsii is genoemd naar de Tübinger dokter Leonhard Fuchs (1501-1566), auteur van medische werken en kruidenboeken. Orchidee is de door Linnaeus bedachte wetenschappelijk naam van de plantenfamilie ontleend aan het Grieks órkhis , letterlijk 'testikel, teelbal', verwijzend naar de dubbele wortelknol. 

                                                                     Slangenkruid

                Slangenkruid (Echium vulgare)

De plant kan wel tot 1 meter hoog worden en gedijt alleen op kalkrijke en stikstofhoudende grond. Op de etymologiebank las ik dat de jonge bladeren gegeten kunnen worden als groente. Een ietwat boute uitspraak, want deze plant bevat dezelfde alkoïden als het Sint Jakobskruiskruid en om daar te van gaan knabbelen lijkt me verre van verstandig.  Dioscorides (1000 v. Chr.) en Dodoens (16e eeuw) schreven over de plant dat de bladeren ook geschikt zijn bij slangenbeten als tegengif.

Nog een soort van de ruwbladigen die ik bij toeval tegenkwam. Het is, ondanks de wetenschappelijke naam vulgare = algemeen voorkomend, geen algemene verschijning in Brabant. In de kuststreken en Limburg is ze meer algemeen. Slangenkruid valt meteen op door zijn diep blauwe bloemen en roze knoppen. Ook de langwerpige en behaarde bladeren die ietwat stekelig zijn maken het dat deze plant met geen andere verward kan worden. De wetenschappelijke soortnaam echium verwijst naar slang en de hoewel er verschillende interpretaties zijn, is de meest aannemelijke dat de muilvormig geopende bloem geassocieerd wordt met de opengesperde bek van een slang. De gespikkelde en gevlekte stengel voedt vervolgens ook nog het vergelijk met een slang.

                                                                       Havikskruid 

              Oranje havikskruid in de knop

Daar kwam ik het voor Brabantse begrippen zeldzame weidehavikskruid tegen. (rode lijst) De gelijkenis tussen oranje havikskruid en weidehavikskruid is in de oorsprong weinig verschillend. De kleur bloem maakt het verschil. De familienaam geeft daar een extra zetje aan. Aurantiacum = oranje en dat laat voor het oranje havikskruid niets aan de verbeelding over. Het gele havikskruid heeft als familienaam caespitosum = zodevormend. Dit verwijst naar de bloeiwijze. Zode is de bloeiwijze waarbij de ondergrondse knopen kort zijn en de spruiten van de bovengrondse plant dicht opeen staan. Voor dat laatste spreken de foto's voor zich. Wereldwijd zijn er duizenden hieraciumsoorten en ondersoorten. 

    Weidehavikskruid (Hieracium caespitosum)

Als je mij vraagt welke bloem in de knop het meest betovert dan zou ik de korenbloem en het havikskruid noemen. Ik kan wel een kwartier naar het ingenieuze knoppenstelsel van dit kruid kijken. Havikskruid behoort tot de composietenfamilie. Het kruid heeft 12 vertegenwoordigers in Nederland. De wetenschappelijke naam hieracium komt uit het Grieks hierax = havik. Men meende in die tijd dat de havik deze plant aandeed om zijn gezichtsvermogen te versterken. In het natuurgebied Huis ter heide in de Moer deed ik een aardige vondst. 

     Oranje havikskruid (Hieracium aurantiacum)

Dat dankt de plant aan apogamie of apromixis. Apogamie is het verschijnsel dat zaad kan rijpen zonder bevrucht te worden. (tegenovergestelde = amfimixis) Ook paardenbloemen en varens zijn planten die onder apogamie vallen. Een mogelijk bekendere soort is het muizenoor (Hieracium pilosella) dat vaak ook kruisingen met weidehavikskruid aangaat. Muizenoor is een geroemde plant in de geneeskunde en dan met name als diureticum. Een diureticum is een middel dat de afgifte van water door de nieren bevordert en dus de urineproductie verhoogt. Muizenoor is dus de natuurlijke tegenhanger van de moderne plaspil in de vorm van een tinctuur. Hondius schreef over havikskruid het volgende gedicht.

Havyncx-cruyt van groote cracht                                               bij den vogel eerst bedacht                                                       en van hem ons naergelaten                                                comt de ooghen oock te baeten'.

                                                                    Wikke en wegen 

                  Voederwikke (Vicia sativa)

Cracca komt uit het Grieks = krassen en dat verwijst naar het geluid van de kraaiachtigen. Wikkesoorten werden in vroegere tijden (en door sommige nog steeds) als onkruid gezien. Het was een lastig onkruid dat tussen het graan een ware plaag was en de smaak van het brood nadelig beïnvloedde. Het verbasterde "krok" (van cracca) is terug te vinden in Oud Nederlandse zinnen.  'Krock is een miswas der voedende saden oft hauwcruyden: een peste ende bederffenis" (Dodonaeus) Inmiddels heeft wikke een goede plaats ingenomen waar het om groenbemesting gaat. Vogelwikke en voederwikke leveren goed voer op voor het vee, vandaar ook de naam "voeder" en de wetenschappelijke benaming

                 Vogelwikke (Vicia cracca)

Ook de vrucht van de ringelwikke is een peul en die zijn erg behaard. Daar verwijst ook de wetenschappelijke naam naar. Hirsuta = ruwharig. Dat heeft dan wel betrekking op de peul en niet op de steel van de plant, want die is bij vrijwel alle wikkesoorten ook ruwharig. Als geneeskrachtige plant heeft wikke geen waarde, het is een plantenfamilie met veel voedingswaarde. Afgezien van vee is wikke ook voor huisdieren als cavia's en konijnen een welkome verandering op het menu 

Een van de meest lastigste planten om te determineren zijn voor mij de wikkesoorten. Zoals de titel al aangeeft is dat vaak wikke(n) en wegen. Ik zal er ook eerlijk voor uitkomen dat de afgebeelde vogelwikke net zo goed de bonte wikke kan zijn en dat de geopperde voederwikke net zo goed de subspecies akkerwikke kan zijn. Ik doe mijn best om de determinatie vlekkeloos af te ronden, maar ik ben een flora amateur en geen botanicus à la Linnaeus. Het verschil is vaak miniem en zit enkel in een detail van de bloem.  Nederland kent 11 soorten wikkes, 12 als je de tuinboon meerekent. Daar komen dan nog een paar ondersoorten bij. Wikke is verbastering van het Latijn vicia en dat komt van vincire = binden, wikkelen. Dat verwijst uiteraard naar de eigenschap van wikkesoorten, dat ze zich al rankend om andere planten een weg naar boven slingeren. De vogelwikke (vicia cracca) heeft dan zijn naam te danken aan het feit dat de zaden erg gewild zijn bij vooral duiven en kraaiachtigen.

                Heggenwikke (Vicia sepium)

vicia sativa die verwijst naar een gekweekte soort : sativa = gekweekt. Daar zit nog een bijkomend voordeel aan, want de deze wikkesoorten trekken ook veel bijen en vlinders aan. Het zeldzame en uiterst bedreigde wikke-uiltje is er zelfs helemaal afhankelijk van. Sommige diertjes heb ik op mijn netvlies voor als ik ze ooit nog eens tegenkom en het wikke-uiltje is er een van De heggenwinde is de meest ambitieuse van het stel, want die kan wel een meter hoog worden als zijn gastheer tenminste van minimaal gelijke hoogte is. Vicia sepium is een heel algemene verschijning en de vrucht ervan is een peul. Sepium komt uit het Latijn en betekent haag. 

                   Ringelwikke (Vicia hirsuta)

                                                                        Ereprijs

           Grote ereprijs (Veronica persica)

Determineren van ereprijs is minder ingewikkeld dan het lijkt. Het kan 3 kanten op. Bloemtrossen in de bladoksels (o.a. gewone ereprijs), bloemtrossen aan de hoofdstengel (o.a. tijmereprijs) of alleen staande bloem in de bladoksels (o.a.grote ereprijs) Ereprijs is ontleent uit het Hoogduits Ehrenpreis en duidt op de geneeskracht van de plant.  Ehre= eer en Preisen= prijzen, loven. De wetenschappelijke naam Veronica kent verschillende soorten uitleg maar meest aannemelijke is die van vera en unica wat  "de enige ware" betekent. Boerhave schreef er ook over "honor et laus", en allemaal verwijst het naar de geneeskracht van de plant. Als je in de soortnaam "officinalis" voorbij ziet komen weet je direct dat de geneeskracht door de eeuwen heen een zekere staat van dienst heeft opgebouwd. In hoeverre die geneeskracht bewezen is, is een tweede. Farmacologen noemen kruidengeneeskunde lyrisch indicatief. Herboristen noemen het bewezen actief. 

             Tijmereprijs (Veronica serpyllifolia)

De meest helende werking wordt toegedicht aan mannetjesereprijs (zie soortnaam : officinalis). Deze plant zag ik voor het eerst bij Huis ter Heide in de Moer. Het plantje gedijt het best op schrale zandgrond waar begrazing plaats vindt en dat komt voor het betreffende gebied wel overeen. De aanwezige Schotse hooglanders doen hun werk blijkbaar goed. De gewone ereprijs met zijn hemelsblauwe bloempjes vind ik de mooiste. De soortnaam chamaedrys komt van chamai = nederig (verwijzend naar, op of nabij de grond) en drys = eik. Het blad van de gewone ereprijs lijkt sterk op dat van een eik en het is een laagbloeier. Tja, wetenschappelijke namen zeggen vaak meer over een plant dan de Nederlandse benamingen. (......) Ereprijs komt uit de weegbreefamile waaronder o.a. ook vingerhoedskruid en het vlasbekje vallen. 

Nederland kent maar liefst 24 soorten ereprijs en ik word altijd lyrisch als ik het blauwe lint van de grote ereprijs langs de bosrand zie slingeren.

Aan het oog onttrokken zo frêle en klein       slingert ereprijs langs de bosrand bedauwt      waar uit lichte wolken, door kiertjes zonneschijn zIch een hemelsblauwe pracht ontvouwt

Ereprijs is erg zon gebonden. Ik herinner me een stralende zonnige dag van april 2018 waarin de ereprijs in vol blauw ornaat stond te prijken. De dag erop met zware bewolking was van die blauwe gloed geen spoor meer te bekennen.  

          Gewone ereprijs (Veronica chamaedrys)

En ikzelf, voor wie het interesseert, geloof er voor een aantal lichte ongemakken stellig in, maar zie bij bepaalde aandoeningen dat de geneeskracht schromelijk wordt overschat. Dat bijvoorbeeld Roberts kruid aangeprezen wordt bij de behandeling van kanker vind ik, behalve een boute, ook een gevaarlijke bewering, die verwachtingen wekt die het nooit kan waar maken. Dat echter hondsdraf een helende werking heeft bij kiespijn is bewezen, sterker nog ik heb het zelf ervaren. Zowel farmacologen als herboristen preken voor eigen parochie, het zou beter zijn elkaars ervaringen te bundelen. Terug naar de afgebeelde soorten ereprijs. Tijmereprijs kun je vinden van april tot diep in september. Een onopvallend klein plantje, lang niet zo aanwezig als de blauwe slingers van de gewone en grote ereprijs. De soortnaam serpyllifolia verwijst naar het bekende (keuken)kruid tijm (serpyllum) 

           Mannetjesereprijs (Veronica officinalis)

                                                              Kruipend zenegroen

          Kruipend zenegroen (Ajuga reptans)

De wetenschappelijke naam verklaart ook dat de plant geneeskracht bezit. Ajuga stamt af uit het Griekse aguisos of agyios (zwak in de gewrichten). De plant diende als middel tegen jicht. Reptans betekent kruipend, maar dat heeft betrekking op het blad en niet op de rechtopstaande bloemenaar. De zaden van zenegroen zijn erg gewild bij mieren en worden ook wel mierenbroodjes genoemd. Kruipend zenegroen is een plant die zowel in de natuur voorkomt als in gecultiveerde tuinen en parken, zolang de bodem vochtig genoeg is stelt het verder weinig eisen. Volgens Margaret Grieve, die ´a modern herbal´ schreef, is zenegroen één van de mildste en beste narcotica ter wereld. Ik zal dit verder niet aan de grote klok hangen want er is al genoeg ellende in de natuur met betrekking tot drugsafval en snuivende zenegroenklanten kan ik mijn natuurbelevingen missen als kiespijn. 

Op nog geen tien meter van het hieronder genoemde moeraskartelblad stond ook de wilde variant van het kruipend zenegroen. Deze plant wordt vaak verward met hondsdraf, maar een blik op het blad is voldoende om hem daarvan te onderscheiden. Nog een markant verschil is dat de onderlippen van deze plant goed ontwikkeld zijn en de bovenlippen nauwelijks zichtbaar zijn. Iets wat bij lipbloemigen weinig voorkomt, omdat de functie van de bovenlippen primair de bescherming van de meeldraden is. Bij zenegroen wordt dat overgenomen door de schutbladeren van de bovenliggen schijnkrans. Zenegroen komt van altijd groen. Zene = altijd. 

Bloem en schutbladen van de schijnkrans, met de duidelijk ontbrekende bovenlip van de bloem.

                                                                              Rode lijst

         Moeraskartelblad (Pedicularis palustris)

Dat wil zeggen dat hij in het wortelstelsel van andere planten doordringt om mineralen op te nemen. Dat doet deze plant natuurlijk wel zo gewiekst dat zijn gastheer er niet het loodje bij legt, want dan valt er niks meer te parasiteren met alle gevolgen van dien. De naam kartelblad is logisch als je de foto's bekijkt en het woordje moeras ervoor ook, zoals ik door ervaring leerde. De plant staat kletsnat en zonder laarzen, die ik zelfs bij 30 graden draag, staat benaderen voor natte voeten.. Palustris is de soortnaam en dat betekent "het moeras bewonend". Pedicularis komt van het Latijnse pediculus (luis), omdat men vroeger dacht dat de gedroogde planten in het hooi, aan het vee luizen zouden geven. De plant stamt uit de bremraapfamilie waartoe ook de grote en kleine ratelaar behoren.  

Een rode lijst is een overzicht van soorten die in Nederland niet meer voorkomen of ernstig bedreigd worden. Beoordeling ervan gebeurt op basis van zeldzaamheid of negatieve trend. De lijst wordt opgesteld door de minister van economisch zaken. Beetje navrant en tegenstrijdig is dat wel, want hoe vaak is een plant niet op de rode lijst gekomen, omdat economische belangen prevaleren (...) Inmiddels zijn er in de categorie flora en fauna 18 rode lijsten aangemaakt. Ik zal ze niet allemaal noemen, maar vond ik de rode lijst van platwormen en haften opmerkelijk. De rode lijst planten telt momenteel 1006 vertegenwoordigers en als je de lijst doorneemt wordt je er een beetje mistroostig van. Als je vaak, net zoals ik, in de natuur zit komt er een dag dat zo'n rode lijst plant je pad kruist. Nog blijer word je dan, als je er niet één maar zeker een stuk of 50 in volle bloei ziet staan. Moeraskartelblad is het kroontje op het werk van mijn volharding. Helaas zal deze plant alleen nog in natuurgebieden tot volle wasdom komen, want de natte gras en hooilanden waar de plant het best gedijt zal men in het moderne agrarische bedrijf niet meer tegenkomen. Het moeraskartelblad is een halfparasiet. 

                    Moeraskartelblad detail

Verspreiding moeraskartelblad. bron : www.floravannederland.nl

Kleine ratelaar ( (Rhinanthus minor)


                                                              Ruwbladigen (Boraginaceae)  

                Bernagie (Borago officinalis)

De wetenschappelijke naam borago komt uit het Grieks en staat voor borra = kort haar. Dat verwijst naar de ruwe beharing van de plant. Bij de eerste aanblik van de kromhals dacht ik aan een vergeet me nietje. Maar als je het plantje goed bekijkt is de veel ruwere beharing het eerste dat opvalt. Bovendien ontbreekt het voor vergeet me nietjes karakteristieke geel hart in de bloem. De plant dankt haar naam aan de gekromde kelkbuis van de blauwe bloemetjes. Ook de Noren en Denen zijn het daar mee eens, want daar heet de plant Krokhals respectievelijk Krummhals, kromhals dus. Kromhals wordt bevlogen door o.a. de kleine wolbij en is een eenjarige plant.

Overblijvende ossentong (Pentaglottis sempervirens


De plant is zeer geliefd onder de bijen en heeft dan ook als tweede naam bijenbrood. Phacelia is een plant bij uitstek voor groenbemesting. Phacelia groeit daarbij zo snel dat het andere planten onderdrukt. Het is dus ook een prima onkruidbestrijder. De naam phacelia is afgeleid van het Griekse phakelos (bundel), bij het begin van de bloei zijn de bloemen dicht opeen gedrongen. Tanacetifolia betekent op Tanacetum (boerenwormkruid) gelijkend blad. De plant is eenjarig en bloeiende planten kunnen absoluut geen nachtvorst verdragen. 


De familie van de ruwbladigen omvat nogal wat vertegenwoordigers. De in andere secties beschreven smeerwortel en vergeet me nietjes maken er deel van uit. Ik kwam nog 4 vertegenwoordigers uit de familie tegen en wel de overblijvende ossentong, de kromhals, bernagie en phacelia. Zoals bij de smeerwortel ook hier een "offiniciale" en wel bernagie. Bernagie heeft de geur en aroma van een komkommer vandaar de Nederlandse benaming komkommerkruid. De bladeren en bloemen zijn eetbaar. Het kruid werkt ontspannend is koortsverlagend en reinigt het bloed. Ook diverse huidziekten verlopen progressief bij behandeling met bernagie. 

                  Kromhals (Anchusa arvensis)

De derde vertegenwoordiger uit de ruwbladigen is de overblijvende ossentong. De plant dankt zijn naam aan de vorm en ruwheid van het blad, dat gelijkenis vertoont met een ossentong. Nou heb ik noch ooit ossentong gegeten noch ooit in de bek van het dier gekeken, maar een rijke fantasie kan men de naamgevers van weleer niet ontzeggen. De soortnaam "sempervirens" verwijst naar "altijd groen". Dat is heden ten dagen ook maar betrekkelijk, want de buxus sempervirens is met de invasie van de buxusmot allang niet meer zo sempervirens. Ook de geslachtsnaam "pentaglottis" verwijst naar de tongvorm. Letterlijk "met vijf schubben in tongvorm op de bloemkroon" De laatste vertegenwoordiger uit de ruwbladigen die ik tegenkwam is de phacelia. Phacelia is een nieuweling die ingevoerd is vanuit Californië.

               Phacelia (Phacelia tanacetifolia)

                                                                     Smeerwortel

      Smeerwortel (Symphytum offinicinale)

De smeerwortel is een algemene plant die vanaf eind April tot laat in de zomer te vinden is. De plant staat bekend om polyploïdie, waardoor er vele varianten zijn. Polyploïdie is een mutatie in het aantal chromosomen. Hierdoor zijn niet alleen de bloemen van de plant anders van kleur (van paars, naar lila, naar wit) maar verschilt bijvoorbeeld ook de bladgrootte. De witte variant die ik vlakbij de paarse variant vond had beduidend kleinere bladen. Insecten die niet bij de nectar kunnen boren een gat in de kroonbuis. Vaak zie je dan een bruine rand om het boorgat. Langtongige hommels, zoals de aardhommel verkrijgen de nectar wel gewoon via de bloemopening.

De smeerwortel dankt zijn naam aan de zalf die men uit de wortel kan maken en die zeer goed werkt bij (schaaf) wonden. Het is zelf zo geneeskrachtig dat het afgeraden wordt om vuile wonden met smeerwortelzalf te behandelen, omdat de genezing dan sneller gaat dan het vuil uit de wond kan komen. De werkende stof is allantoïne. De wetenschappelijke naam symphytum komt uit het Latijn en is afgeleid van het Grieks "samengroeien". Uit "offiniciale" als soortnaam valt af te leiden dat de plant vroeger in apotheken werd gebruikt. De gehele plant is te gebuiken voor geneeskrachige doeleinden. De wortel is zwart maar de binnenkant is wit. 

              Smeerwortel, polyploïde variant

                                                             Middelste duivenkervel

        Middelste duivenkervel (Fumaria muralis)

Een niet alledaagse verschijning, die op de verspreidingsatlassen als tamelijk zeldzaam wordt betiteld. Van alle provincies komt ze in Brabant nog het meest voor. Middelste duivenkervel staat ook bekend onder de naam aardrook. Vroeger meende men dat de plant zich kon ontwikkelen uit dampen en walmen die uit de aarde opstegen. De wetenschappelijke naam verwijst daar ook naar. Fumaria = rook. Er is echter ook een andere verklaring en wel dat het sap van de duivenkervel de ogen doet tranen zoals rook dat doet. Een meer logische verklaring voor de naam van de plant is dat het graag gegeten wordt door duiven. Verder tonen de bladeren  gelijkenis met de bladeren van het keukenkruid kervel. Het is een zeer geneeskrachtige plant die al in de 13e eeuw bekend stond om zijn medicinale werking. Een passage uit die tijd "Item dat cruut ghenomen ende in whine ghesoden ende dat warm ghedroncken dat sterct die maghe ende opluuct (opent) die zenen (spieren, zenuwen) ende aderen ende maect goede verduwinghe ende reynicht die colere (drift) ende zuvert binnen alle die leden'

                                                          Van de wal in de sloot 

       Paarse dovenetel (Lamium purpureum)

Een klein nietig wit plantje doet zijn best boven de sloot uit te komen. Het lijkt of de wind, die aardig aantrekt, het plantje geselt maar hij kan het wel hebben. Veldsla in het wild is in Nederland niet overal algemeen. Zowel de bloem als de plant zijn eetbaar. De wetenschappelijke naam geeft aan dat het plantje ook door dieren bezocht wordt, sprinkhanen in dit geval, valerianella = valeriaan en Locusta = sprinkhaan.

                  Veldsla (Valerianella locusta)

Van alle plantjes die ik ken is het meest frêle plantje de akkerviool. Behalve frêle ook wonderschoon, met het gele vlek op het onderste kroonblad en diep paarse aderen in dat gele vlak. Het valt onder akkeronkruid omdat in sommige gewassen het een concurrent kan zijn, zoals bieten en granen. Dat ik liever een veld met akkerviooltjes zie dan een bietenveld zal niet steekhoudend genoeg zijn om het plantje van het onkruid af te krijgen. Maar zoals met veel planten, wat de mens botanisch niet dient valt klaarblijkelijk onder onkruid. Het akkerviooltje is algemeen maar hoe verder westwaarts hoe minder ze voorkomen. Het akkerviooltje is een eenjarige plant. Dat wil zeggen dat de levenscyclus van kieming tot zaad in één jaar plaats vindt. 

            Klein kruiskruid (Senecio vulgaris)

De akkerhoornbloem heeft een ietwat tegenstrijdige naam want de plant komt op akkers niet voor. Het is een plant van graslanden en bermen en daar gedijt het uitermate goed. De plant dankt zijn naam aan de op een hoorn gelijkende vrucht die uit de kelk steekt. Daar verwijst ook de wetenschappelijke naam naar ceras = hoorn.  Hoornbloemen komen uit de familie van de anjers net zoals de muursoorten. Het onderscheid zit in de kelkbladen, die bij hoornbloemen nooit verder dan de helft zijn ingesneden en bij de muursoorten veel dieper. Ter vergelijk het afgebeelde volgelmuur. 

                 Vogelmuur (Stellaria media)

.

Ik ga een Nederlands spreekwoord onbruikbaar verklaren. Van de wal in de sloot belanden betekent eigenlijk dat de situatie zich verergert. In mijn natuurtochten is juist het tegenovergestelde het geval, want de (droge) sloot heeft een enorme rijkdom aan wilde plantjes, vaak meer dan aan de wal en in diezelfde droge sloot vergeet ik alles wat op de wal niet deugt. We schrijven april 2018 en in het buitengebied Gilze-Alphen neem ik een willekeurige sloot van 50 meter. De paarse dovenetel in de slootkant is altijd een mooi tafereel en vaak staan ze er met honderden tegelijk, waardoor de sloot prachtig paars kleurt. Uit dezelfde familie stuit ik algauw op de hoenderbeet. Ik ben verliefd op dit plantje met zijn diep purperen knoppen en vaak wordt dit plantje verward met de paarse dovenetel. Van dichtbij zie je de verschillen pas goed want de hoenderbeet heeft hele lange bloemkronen en het blad is beslist niet netelachtig.  

           Hoenderbeet (Lamium amplexicaule)

                  Akkervioolje (Viola arvensis)

Een plant die je heel het jaar aan kunt treffen is het klein kruiskruid. Een survivor zonder zijn gelijke, die zelfs tussen straatstenen kan gedijen. Ook deze plant wordt verguisd, vooral door paardenliefhebbers, want klein kruiskruid is giftig. Het draagt, zoals het Sint-Jakobs kruiskruid, alkaloïden met zich mee en bij veel dieren hoopt dat op in de lever. Bij hoge doseringen met fatale gevolgen. Toch heeft het kruid 2 gezichten zoals blijkt een passage uit het Cruydboeck van Dodoens van 1644. Daar wordt het kruid beschreven als 'een seer ghemeyn ende bijna veracht cruydt maar het is vol van deugden ende krachten, in sonderheyt om kwetsuren en wonden te genezen' Daarbij valt op, dat uitwendig gebruik dus wel geneeskracht heeft en inwendig gebruik sterk af te raden is. De wetenschappelijke naam senecio komt van senex = grijsaard, naar het vruchtpluis en de Nederlandse naam is waarschijnlijk verbasterd uit het Duits Greiskraut.

         Akkerhoornbloem (Cerastium arvense)

                                                         Ooievaarsbekken familie

          Robertskruid (Geranium robertianum)

De familie van de ooievaarsbekjes, waarvan het reigersbekje deel uitmaakt, heeft nogal wat vertegenwoordigers en het zijn stuk voor stuk juweeltjes van de natuur. De site "wilde bloemen in Nederland" behandelt 10 soorten die tot de ooievaarsbekfamilie behoren, waarvan ik er voorlopig 5 heb kunnen vastleggen. Bij alle planten bevindt zich aan de bovenkant van de vrucht een smalle, snavelachtige vorm. Wetenschappelijk (uit het grieks) wordt daar onderscheid gemaakt in erodium = reiger, pelargonium = ooievaar en geranium = kraanvogel

       Gewone reigersbek (Erodium cicutarium)

Een andere soort die tot de ooievaarsbekken gerekend wordt is het Robertskruid. (vroegere benaming, stinkende ooievaarsbek) Vermoedelijk vernoemt naar de aartsbisschop Robert van Salzburg die in die tijd (17e eeuw) mensen aanraadde dit kruid te gebruiken. Het loont de moeite om op de site "mens en gezondheid" eens het Robertskruid op te zoeken. Ik telde 28 aandoeningen waar dit plantje soelaas biedt. De rijkdom aan vitamine A,B en C zijn er debet aan. De wetenschappelijke naam geranium, duidt op de op de vrucht gelijkende snavel van de kraanvogel

   Ronde ooievaarsbek (Geranium rotundifolium)

Voor sommige plantjes heb ik een zwak. Op de eerste plaats omdat ze proberen overal het hoofd boven water te houden en op de tweede plaats omdat ze ongelooflijk mooi zijn. Niet iedereen kan algemeen voorkomend en schoonheid combineren helaas. Ik heb zo in april elk jaar kromme tenen in mijn schoenen als de hovenier bij mijn werkgever het gazon komt maaien. Dat gazon is doorspekt met het  reigersbekje, en als die beste man klaar is met zijn werk rest een troosteloze aanblik voor wat eens een klein paradijsje was. 

        Zachte ooievaarsbek (Geranium molle)

Het reigersbekje is makkelijk te herkennen. Van de 5 kroonblaadjes zijn er 2 altijd kleiner dan de andere 3. Bovendien hebben reigersbekjes veernervige bladen en ooievaarsbekjes handnervig. De naam reigersbek duidt op de vrucht die de vorm een reigersnavel heeft. Bij ooievaarsbekjes is het goed kijken naar de beharing op de stengel en de kleur van de stempels. vaak zijn de verschillen miniem zoals bij de kleine ooievaarsbek en de ronde ooievaarsbek. Bij de laatste zijn de kelkbladen minder diep ingesneden. 

       Beemdooievaarsbek (Geranium pratense)

De overige 5 soorten die nog op mijn to do list staan zijn de duinreigersbek, de bermooievaarsbek, de donkere ooievaarsbek, de kleine ooievaarsbek en de slipbladige ooievaarsbek. Voorlopig ben ik al in mijn nopjes met de ronde ooievaarsbek want die is tamelijk zeldzaam. Dat geldt overigens ook voor de donkere ooievaarsbek die te boek staat als een stinzenplant. De duinreigersbek zal, zoals de naam al doet vermoeden, voor Noord-Brabant wel ijdele hoop zijn.

                                                                          Early riser

                Klein hoefblad  (Tussilago farfara)

De Romeinen rookten (....) zelfs het gedroogd blad bij longklachten. De wetenschappelijk naam geeft ook duiding aan de helende werking. Tussilago van tussis = hoest en agere = (be)handelen en farfara van farina = meel en ferre = dragen. Vroeger werd het klein hoefblad ook gebruikt in een tinctuur (alcoholische oplossing) maar dit mag in Nederland niet meer verkocht worden. Klein hoefblad heeft een ondergronds wortelstelsel van meters lang. 

             Knop klein hoefblad 2 maart 2018

Nog voor de lente zich aangediend heeft, is dit plantje wel een van de eerste die het aandurft zijn gele bloemen uit te laten lopen. Beginnende natuurliefhebbers kunnen zich dan afvragen waar het klein hoefblad zijn naam aan te danken heeft want in beginsel heeft de plant geen blad. Dat blad komt pas later als de bloem verwelkt is en de plant dankt zijn naam aan het blad dat op een hoefijzer lijkt. Het klein hoefblad heeft een bewezen medicinale werking voor longklachten, meer specifiek voor vastzittend slijm. 

        Karakteristieke pluizenbol klein hoefblad

Omdat de plant zo vroeg bloeit is het voor de voortplanting afhankelijk van de wind in plaats van insecten. De bloeiwijze bestaat uit een hoofdje waarvan het omwindsel na de bloei en rijping van de zogenaamde nootjes terugslaat en een ronde pluizenbol ontstaat. De wind doet vervolgens, voor wat betreft de verspreiding, de rest. Het blad van het klein hoefblad is eetbaar, maar dan wel de jonge bladeren, want de oude bladeren zijn taai. Van de oude bladeren kan men wel thee trekken. Zoals de naam "klein" doet vermoeden is er ook een groot hoefblad (Petasites hybridus) die meteen opvalt door zijn enorme bladen. 

                                                                      Pinksterbloem

         Pinksterbloem (Cardamine pratensis)

De rups eet niet de hele plant maar de zaden. Om er zeker van te zijn dat de rups voldoende te eten heeft, zet het vrouwtje per plant maar een eitje af. De wetenschappelijke naam "cardamine" stamt uit grieks, cardis = hart en damao = verzachten. In vroegere tijden werd de plant gebruikt bij hartkwalen. Pratensis betekent "in weiden groeiend"

Een bloem die eigenlijk zijn naam geen eer aandoet, want de Pinksterbloem is ten tijde van Pinksteren allang uitgebloeid. Een verdere verklaring is dat de plant vóór Pinksteren al bloeit, maar vanuit die invalshoek kun je heel veel planten dan Pinksterbloem noemen. Een andere verklaring luidt dat de plant bloeit als de eerste pinken (kalveren) de weide ingaan. De Engelse naam is, om de verwarring nog wat groter te maken, Cuckoo flower wat bij  ons de koekoeksbloem is. Zowel de cuckoo flower als de koekoeksbloem refereren aan de komst van de eerste koekoeken, maar verder gaat elke vergelijking mank. In de Chaamse beek trof ik een veld vol met pinksterbloemen aan en bijna vanzelfsprekend ook tientallen oranjetipjes. Deze vlinder en de pinksterbloem zijn elkaars vrienden. Hoewel het oranjetipje ook andere kruisbloemige bezoekt, ligt de voorkeur evident bij de pinksterbloem. 

                                   Oranjetip

                                                               Gewone dotterbloem

De gewone dotterbloem kwam ik voor de eerste keer tegen in de Biesbosch toen ik daar met mijn kleindochter aan het wandelen was. Een strook van 20 meter gele pracht, die zich langs een aanpalend watertje slingerde. (natuurlijk juist toen geen fototoestel bij de hand) Meer oostwaarts komt deze plant veel minder voor. In mijn beleving dan, want de diverse verspreidingsatlassen spreken elkaar wat tegen. Het plantje is wel in opmars. In 3 natuurgebieden in de omgeving Tilburg heb ik hem waargenomen en steeds moet ik even bij het plantje stilstaan om de schoonheid ervan tot mij te nemen. De plant dankt zijn naam aan de gele bloem die blijkbaar raakvlakken heeft met een eierdooier en die mogelijk uit het Duits verbasterd is. Duits Dotter = dooier. Ik heb iets meer met de wetenschappelijke naam Caltha palustris. Caltha betekent letterlijk "goudsbloem" en dat doet het plantje de eer aan die het verdient. Palustris verwijst dan weer naar moerassige of drassige plekken en daar is de dotterbloem dan ook alleen maar te vinden, tenminste als dat water zuurstofrijk en helder is. 

        Gewone dotterbloem (Caltha palustris)

Dankzij minder bemesting en ontwatering krijgt de dotterbloem kansen zich uit te breiden. De zaden van de plant blijven drijven en dat is voor de voortplanting geen overbodige luxe, want de meeste zaden eindigen in het water. De gewone dotterbloem is licht giftig van bloem tot wortel. De plant is een echte voorjaarsbloem die niettemin soms in de herfst een tweede bloei heeft. Dotterbloemen zijn wettelijk beschermt, maar je moet ook wel een natuurhork eerste klas zijn als je zelfs maar overweegt deze schoonheid te gaan plukken.

                                                                  Vergeet me nietjes

     Akker vergeet me nietje (Myosotis arvensis)

Verder nog : veelkleurig vergeet me nietje, zomp vergeet me nietje, ruw vergeet me nietje, weide vergeet me nietje, bos vergeet me nietje, stijf vergeet me nietje en moeras vergeet me nietje Determineren is nog niet zo gemakkelijk. Het bloemblad en geel hart zijn steeds weer net anders. Ze hebben allen gemeen dat ze dichtbehaard zijn. De vergeet me nietjes behoren dan ook tot de ruwbladigen. Vergeet me nietjes zijn de waardplant van de kleine zwartwitmot. De wetenschappelijke naam myosotis komt uit het Grieks en betekent muis-oor genoemd naar de vorm van het blad. Arvensis is de algemene wetenschappelijke benaming voor akker of bouwland.

Het verhaal van het vergeet me nietje gaat terug naar de schepping, althans dat wil de overlevering ons doen geloven. Ik vind het een kleuterverhaal maar het stamt uit de middeleeuwen en het moet ergens vandaan komen. Toen God alle bloemen geschapen had met naam, kleur en geur was er één plantje met hemelsblauwe bladeren en geel hart dat door de gebeurtenissen zo gegrepen was dat het zelf vergeten was hoe  het heette. Terug bij de schepper moest hij ruiterlijk bekennen dat het zijn naam vergeten was, waarop de schepper het de oorspronkelijke naam meegaf. Deze religieuze inslag is sterk gevestigd, want in zowat alle talen heet het plantje vertaalt, vergeet me nietje. Zweeds : Åkerförgätmigej  Spaans : no me olvides, Duits : Ackervergißmeinnicht. We kennen maar liefst 8 soorten vergeet me nietjes in Nederland waarvan het akker vergeet me nietje de meest voorkomende is. 

 Moerasvergeet me nietje (Myosotis scorpioides)

                                                       Het gele kruid arsenaal 

      Sint-jakobskruiskruid (Jacobaea vulgaris)

Het boerenwormkruid lijkt in beginsel op Jakobskruiskruid maar heeft geen stralenkrans van straalbloempjes. Bovendien is het geveerde blad onmiskenbaar. Boerenwormkruid is talrijk in de zomermaanden waaraan de Latijnse soortnaam ook refereert. Vulgare = algemeen voorkomend. De naam Tanacetum is afgeleid uit het Grieks van taanaos en betekent "lang durend". Dit duidt op het feit dat als de bloemen gaan bloeien, ze niet snel verwelken en hun geur niet snel verliezen De plant is waardplant voor veel soorten insecten. Verschillende bijensoorten bezoeken deze plant en de larven van diversen soorten spanners zijn er op te vinden. Incidenteel ook de rupsen van de Jakobsvlinder. Het boerenwormkruid bevat de werkende stof thujon dat wormafdrijvend is en vlooien en mieren doodt. In de streek van Diest wordt nog steeds jenever gemaakt van dit kruid (Reinvoart-jenever) In de Hildegard geneeskunde wordt het kruid veel gebruikt. Een andere vertegenwoordiger van de kruiskruiden is het bezemkruiskruid. De plant is makkelijk te herkennen vanwege zijn vorm die op een bezem lijkt én om zijn blad dat lang en smal is en de steel met oortjes omvat. Bezemkruiskruid is ook giftig en bevat dezelfde alkaloïde als het Jakobskruiskruid. Senecio is afgeleid van het Latijn senex = oude man. Dit duidt op de witte beharing van uitgebloeide bloemhoofdjes. Inaequidens betekent ongelijkmatig en verwijst naar het blad dat op zich wel regelmaat vertoont, maar door de plant heen er een beetje ongeorganiseerd uit ziet.

        Bezemkruiskruid (Senecio inaequidens)

                      Parende Sint Jansvlinders

Eind mei en vooral in Juni zie je bermen en braakliggende terreinen vol staan met gele kruiden. Ik behandel er hier vier. Het Sint-Jakobskruiskruid is vernoemd naar Sint Jakob (de meerdere) een van de 12 apostelen (naamdag 25 juli) Op die datum staat het kruid in volle bloei, maar met zachte lentes ook al veel eerder. Het kruid is erg giftig door de werkzame stof alkaloïde, dat zich in de lever ophoopt en de levercellen afbreekt. Bij paardenliefhebbers gaan alle alarmbellen af als dit plantje door het voer vermengd zit. Bij inkuilen met hooi verliest de plant zijn geur en wordt het door paarden niet meer als giftig herkent. Het is de waardplant van de Jakobsvlinder. De rupsen ervan zijn immuun voor het gif en slaan het op tot na de verpopping. Zowel rupsen als vlinder zijn giftig.  

                          Sint Jacobsvlinder

        Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare)

Een vierde kruid, uit de hertshooifamilie, is het St Janskruid. Het kruid is genoemd naar St Jan           (feestdag 24 juni) de tijd dat het kruid in bloei staat. De olie van de plant is een antidepressivum zonder de ernstige bijwerkingen die de reguliere middelen vaak hebben. De Amerikanen noemen het kruid "natures Prozac" Toch geldt voor deze plant dat het door grazend vee beter te mijden is. Hoewel verschillende verhalen de ronde doen over de benaming hypericum is de meest plausibele de verwijzing naar de god Hyperion, vader van de zon in de Griekse mythologie. De felgele bloemen ondersteunen dit verhaal volledig. Perforatum slaat op de schijnbare 'gaatjes' in de bladeren van het kruid. Men zou verwachten dat de Sint Jansvlinder en dit kruid bij elkaar horen, maar dat is een fabeltje, want de Sint Jansvlinder heeft klaver als waardplant. De al eerder genoemde Sint Jakobsvlinder is wel een regelmatige bezoeker van deze plant. De bloem bevat geen honing dus bijen en hommels zullen deze plant links laten liggen. Bestuiving vindt plaats door zweefvliegen en vliesvleugelige.

          Sint Janskruid (Hyperion perforatum)

                                               Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera)

De plant komt oorspronkelijk uit India. De soort heeft het zwaar te verduren, want hij wordt beschouwd als een onwelkome gast. Hij staat op de Unielijst van ongewenste soorten in Europa. Dat komt omdat het een woekeraar is en, indien hij ongemoeid gelaten wordt, een heel bos over kan nemen. We kunnen landschappen veranderen en bossen in hun oorspronkelijke staat terugbrengen, maar een plantje in toom houden is teveel gevraagd (....) Maar gelukkig is er ook tegengas, want imkers zaaien de plant omdat ze nectar voortbrengt in een periode dat andere planten dat niet doen. De balsemien die ik gezien heb op een strook van 50 meter was vergeven van de akkerhommels. Balsemien is afgeleid van bal-semen dat zaadwerper betekent. Bij aanraking of door regen springt de zaaddoos open en worden de zaden letterlijk weggeslingerd. 

Grote klaproos (Papaver rhoeas)

Iedereen zal ze langs de kant van de weg wel eens hebben zien staan. De grote klaproos gedijt het best op voedselarme, droge zandgrond. Vroeger zag je hele velden klaprozen met korenbloemen. Door de rijke bemesting en onkruidbestrijding zijn die grotendeels verdwenen. De klaproos komt uit de papaverfamile en van die soort is bekend dat de bloem ontstaat uit een zaaddoos.

De klaproos kent iedereen, maar het fenomenaal mooie zaaddoosje (vrucht) zal niet ieders aandacht gehad hebben. Een waar kunststukje van moeder natuur.

     Geel nagelkruid (Geum urbanum)                                 Groot nagelkruid (Geum macrophyllum)

De Zweedse naam voor deze plant is "Nejlikro" wat kruidnagelwortel betekent. Daar dankt de plant zijn naam aan want de wortel ruikt naar kruidnagel. Dat geldt overigens ook voor het groot nagelkruid en knikkend nagelkruid. Het groot nagelkruid timmert aan de weg, want het van oorsprong arctisch plantje verovert nu ook Europa. Het geel nagelkruid werd in de Middeleeuwen 


toegevoegd aan bier om de smaak te verbeteren en om de houdbaarheid te vergroten. Knikkend nagelkruid heeft oranje bloemen. Geel nagelkruid is gemakkelijk te onderscheiden van groot nagelkruid, omdat de eerste zogenaamde bijkelken onder de bloem heeft. Dat verwart hem nogal eens met de schijnaardbei die dat ook heeft. 

                                                 Schijnaardbei (Duchesnea indica)

                                                            Watermunt (Mentha aquatica)

Dit vrolijk en vlijtig plantje trof ik de voor het eerst aan bij het Kolkven waar het op een bosweide zwaar aan het woekeren was. Watermunt is een nitraatvreter wat betekent dat water in buurt vrij helder is. Het heeft een sterke pepermuntgeur die vooral bij zwoel weer goed te ruiken is. Voor de thee die in Arabische landen wordt gebruikt is onze watermunt te slap. Daar wordt een cultivar voor gebruikt, zoals mentha spiccato Marrakech De wetenschappelijke naam Mentha komt uit een sage van Ovidius. De sage vertelt dat de dochter van de watergod Cocytus, Menthe geheten, door Hades, god van de onderwereld, bemind werd. Door de jaloerse echtgenote (Persephone) van Hades werd zij in een plant veranderd. Ik kijk dus bij dit plantje tegen de dochter van een god aan. Ik geloof het direct.


    Koekoeksbloemen      


Dagkoekoeksbloem          (Silene dioica)

De naam koekoek
danken de planten aan het feit dat men dacht dat de koekoek deze plant bezocht
en erop spuugde. In werkelijkheid was dat spuug, het schuim van de schuimcicade die daar zijn nest had. Sommige overleveringen vertellen, dat de plant op het
hoogtepunt van zijn bloei was als de koekoek arriveerde.


Echte koekoeksbloem      (Silene flos-cuculi)

De planten gedijen het
best op stikstofrijke en kalkhoudende, vochtige grond. De verwijzing naar dag
en avond hebben betrekking op de tijd dat de bloemen open staan. Er is ook een
nachtkoekoeksbloem. Alle silene soorten bloeien van de lente tot in de late herfst.
Op de Regte heide trof ik in oktober nog een perceel aan met honderden
avondkoekoeksbloemen. Koekoeksbloemen zijn giftig (saponinen) en worden door
grazend vee gemeden

Avondkoekoeksbloem      (Silene latifolia)

De echte koekoeksbloem is een gewilde bijenplant. Soms
kruisen dagkoekoeksbloem en avondkoekoeksbloem zich, waaruit de bastaardkoekoeksbloem
ontstaat. Die heeft witte bloemen die roze uitlopen. Deze soort heb ik in de
Kaaistoep diverse keren gezien. In Noorwegen heet de echte koekoeksbloem "Hanekam" en daar is, de bloem nader bekeken, iets voor te zeggen.

                                                  Lindheimers prachtkaars (Gaura lindheimeri)

Soms krijg ik iets voor de lens, waarvan ik thuis uit moet pluizen wat het is. In het natuurgebied ter hoogte van het Bels Lijntje kwam ik deze plant tegen en dat was een onbekende. Ik heb er hulptroepen voor in moeten schakelen om te achterhalen dat het de Lindheimers prachtkaars was en dan wel de wilde variant. Die is zeldzaam, en niet te verwarren met de gecultiveerde soort "whirling butterflies"  De plant is genoemd naar Ferdinand Jacob Lindheimer een Texaanse botanist uit de 19 eeuw. Er zijn nogal wat varianten op deze prachtkaars zoals de eerder genoemde "whirling butterflies" zijn er ook nog de "rosy jane" en de "siskiyou pink". maar dat zijn allemaal cultivars. De vraag is natuurlijk gerechtvaardigd hoe zo'n cultivar, is verwilderd en in een natuurgebied terecht is gekomen. Het verhaal heeft, denk ik, een beetje weg van de stinzen planten. (zie onder bij de rubriek : stinzenplanten)

                                                     Korenbloem (Centaurea cyanus)

Wie is er niet verliefd op deze bloem uit de composietenfamilie. Helaas doen moderne landbouwtechnieken geen goed aan het plantje. Maar er gloort hoop, want ik zie steeds meer randen van percelen verschijnen die bewust hun gang mogen gaan en waar korenbloemen, klaprozen en gele ganzenbloemen dankbaar gebruik van maken. De korenbloem bekoorde ook al in de Gouden eeuw, want Christiaan Huygens schreef er het volgende over " "De bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans, daer 's geen weerseggen aen, sy geeft de tarw een' glans". En dat is ontegenzeglijk waar. In Frankrijk heet de korenbloem Centaurée Bleuet en het "bleuet" staat symbool voor de gevallenen van de Eerste wereldoorlog.

Als de tere bloem verschrompelt
verdort in de vergetelheid sterft
zie ik hoe de natuur zijn penseel dompelt
en zich opnieuw in het korenveld verft

Het symbool voor geheugen en solidariteit. In de volksgeneeskunde werd een aftreksel van de korenbloemen en bladeren gebruikt tegen bronchitis, bij verstopping, als spoelmiddel bij ontstekingen in de mond, maar vooral voor oogwassingen bij slijmvlies-ontstekingen en irritaties van het oog. Minder bekent, maar zeker oogstrelend is de korenbloemknop die in een fraai kleurenpalet naar het diep blauw evolueert.

  

                                                                   De vederdistelfamilie

Kale jonker                      (Cirsium palustre)

In het voorjaar trok een hooibeestje (kleine vlindersoort) mijn aandacht en na een kleine achtervolging kon ik hem goed benaderen. Ik had echter buiten een kale jonker gerekend, want daar ging ik op zitten. Het idee op een kale jonker te zitten is in elke variant die men visualiseert bepaald geen pretje. Maar om het bij planten te houden, deze vederdistelsoort steekt, zoals zijn soortgenoten, venijnig. De getoonde afbeeldingen zijn allen vederdistels uit de composietenfamilie.
Vederdistels zijn planten met stekels, met bloemen in hoofdjes en puntige
omwindselblaadjes.  In Nederland komen 7 soorten vederdistels voor. De kale jonker dankt zijn naam

Akkerdistel                              (Cirsium arvense)        

vermoedelijk aan zijn berooide uiterlijk.  De bladeren vallen weinig op tegen de zwaar stekelige stengel. In vele landen heeft de kale jonker, vertaalt, de naam "moerasdistel" en dat is niet vreemd want deze distel heeft veel water nodig. De naam van de speerdistel is terug te leiden op het stekelig blad, dat een speervorm heeft en wat mij betreft, van alle vederdistels het scherpst is. De akkerdistel, ook wel boerenplaag genoemd, is geen graag geziene gast, omdat hij een ondergronds wortelstelsel bezit

Speerdistel                       (Cirsium vulgare)

Hij kan dus links verwijderd worden maar dan rechts weer opkomen. Deze ondergrondse wortelstelsels heten rizomen. Cirsium, waarmee vederdistels wetenschappelijk worden benoemd, komt van het Grieks "kirsos" dat gezwollen ader, of spatader betekent. In
vroegere tijde werden vederdistels als remedie hiertegen gebruikt. De herkomst van het woord "distel" is volgens de etymologiebank onduidelijk.

                                                         Grote wederik (Lysimachia vulgaris)

De grote wederik is een speciaal plantje, want het is de enige in de Nederlandse flora dat letterlijk olie afscheidt. Voor de bestuiving heeft deze plant een bij nodig en wel een specifieke soort : de slobkousbij. De pollen en de olie van de bloem worden door de bijen vergaard en opgeslagen in een zakvormige uitstulping, de slobkousen. De bij en de wederik zijn dus erg afhankelijk van elkaar en de poppen van de bij komen tevoorschijn als de wederik in volle bloei staan (midden Juni)

Wederik komt van wede, wat hetzelfde is als wilg. De bladeren lijken op die van de wilg (Duits : weiderich = wilgachtig) Aan de grote wederik wordt grote geneeskracht toegedicht. Het is uiterst effectief bij ontstoken tandvlees en bij aambeibloedingen.  In vroegere tijden werden de planten bij hoeves in de tuinen gekweekt om ofwel zieke dieren, ofwel zieke werknemers te genezen. Het helpt ook tegen diarree, hoest en koorts en werd vroeger ook gebruikt om wonden schoon te maken. De jonge blaadjes zijn te eten en voedzaam,

                                                      Wilde cichorei (Cichorium intybus)

Mijn absolute nummer een. Ik zag deze plant voor het eerst op een droge, kalkhoudende grond in een natuurgebied nabij het Bels Lijntje. De struikachtige plant zelf is eigenlijk een schraal niemendalletje, maar toen ik de bloemen zag, was ik meteen gevangen door de schoonheid ervan. Ik ben er 3 keer voor terug geweest omdat eerdere foto's me niet bevielen. Schoonheid moet goed vastgelegd worden, nietwaar. Je moet dan wel 's morgens op pad, want alleen dan zijn de bloemen, naar de zon gericht, open. De chicorei staat graag op een talud, langs de weg. Duitsers hebben de toepasselijke naam "Wegewarter" (wegenwachter) bedacht. De naam chicorium verwijst ook naar zoiets. Kio = ik ga en chorium = veld, ofwel ik sta niet in het veld maar erlangs. De wortel werd in de 18e eeuw gebruikt als vervangingsmiddel voor de destijds onbetaalbare koffie. Maar wilde chicorei heeft door de eeuwen heen ook zijn geneeskundige en kennelijk bovennatuurlijke kracht bewezen. Een kleine greep uit wat op internet voorbijkomt.

"Magische krachten werden de plant eveneens toegeschreven, want, indien men iemand buiten zijn weten en gedurende zijn slaap met boeien bond, zo vielen deze vanzelf los, mits de slapende cichoreiwortel bij zich droeg" 

"Plinius de Oudere (23-79 n. Chr.). Volgens hem splijt cichorei, als omslag gebruikt, gezwellen. Het afkooksel opent het lichaam. De plant werkt gunstig bij blaasontsteking en geneest lever-, nier- en maagklachten. Volgens Plinius is de cichorei ook een magische plant: 'De magiërs zeggen dat je, als je je insmeert met een mengsel van olie en het sap van de hele plant [cichorei], de gunst van een ander zult winnen en alles wat je wilt hebben zult krijgen.'

"Paracelsus (1493-1541) schaart de cichorei onder de zweetdrijvende middelen en kenschetst haar als het beste middel om zich tegen lepra te beschermen"

Ikzelf schaar de wilde chicorei onder een van de mooiste bloemen die in de Nederlandse flora te vinden is, en aangezien ik hem niet de kracht toedicht die onze voorvaderen er aan gaven zou ik zeggen : lekker laten staan, te mooi om te plukken.

                                                         De familie trifolium en andere klavers 

            Gele rolklaver (Lotus corniculatus)

                Rode klaver (Trifolium pratense)

              Hazenpootje (Trifolium arvense)

Prachtige vlindertjes in de omgeving van een op het eerste oog eenvoudig plantje als klaver is. Maar nader bekeken zijn klaversoorten schitterende plantjes die goed bestand zijn tegen de weersinvloeden. De bladeren van de rode klaver zijn het nationale embleem van Ierland, het zogenaamde "Irish shamrock" Op de site wilde bloemen van Nederland worden 8 soorten klaver beschreven, bedoelt onder trifolium en wel., hazenpootje, kleine klaver, liggende klaver, incarnaatklaver, basterdklaver, bochtige klaver, rode klaver, witte klaver. Van alle soorten is de bochtige klaver de zeldzaamste en staat op de rode lijst. Incarnaatklaver is vrij zeldzaam, en ik weet ze ook maar op één plek te staan, waar ze ook ieder jaar terugkomen.

              Kleine klaver (trifolium dubium)

                Witte klaver (Trifolium repens)

Het geslacht trifolium omvat zo'n 200 soorten klaver over de hele wereld en behoort tot de
vlinderbloemen. Ik vind het begrip klaver trouwens erg lastig en verwarrend. Honingklaver en rolklaver (afgebeeld) bijvoorbeeld zijn geen planten uit het geslacht trifolium maar wel vlinderbloemen. Ook de klaverzuringfamilie (oxalis), van het klavertje 4, is een geheel andere orde dan trifolium. De trifolium klavers zijn te herkennen aan het blad waaraan ze de wetenschappelijke naam ook te danken hebben. Tri= drie, folium = blad. Dat is ook weer betrekkelijk, want bij het hazenpootje vallen die karakteristieke drie blaadjes nauwelijks op. Het woord klaver komt volgens de etymologiebank waarschijnlijk uit het Germaans "cloefre" dat klieven betekent en verwijst naar de bladvertakking. Klaver is de waardplant voor vele
vlindersoorten waaronder het zeldzame klaverblauwtje, het icarusblauwtje en
dwergblauwtje. Het icarusblauwtje is in ongelooflijke aantallen waar te nemen. Deze zomer (2017) op een veld vol verschillende klaversoorten honderden exemplaren gezien.

                           Icarusblauwtje

         Incarnaatklaver (Trifolium incarnatum)

                                                      Moerasandoorn (Stachys palustris)

De plant staat van juli t/m september in bloei en het viel me op dat ze behoorlijk lang in de bloem blijven staan. Het is ook de nectarplant voor o.a het bruin zandoogje (afbeelding) en de waardplant van diverse cicaden en het blauw muntgoudhaantje

De moerasandoorn uit de familie der lipbloemigen is primair te herkennen aan de vierkante stengel. Het is een algemene verschijning, zolang de bodem vochtig, voedselrijk en enigszins zurig is. De herkomst van de naam andoorn is onzeker. Etymologiebank verwijst naar het oudhoogduits "Andorn" dan wel naar het Grieks "anthos" dat bloesem betekent. Ik kwam van het PRI in Wageningen een PDF tegen met wortelonkruidbestrijding, waarvan een wortelstok van de moerasandoorn van 10 cm uitgroeide tot een wortelstelsel van 18 meter. De zin evenwel om deze plant te bestrijden ontgaat me, zoals wel met meer dingen die de natuur aangaan, volledig.

Wilgenroosje (Chamerion angustifolium)                         Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum)

Als ik denk aan de quote "bloemen zien we dagelijks, maar zien we ze ook echt" dan denk ik meteen aan het wilgenroosje. Als slootkanten lila kleuren door dit mooie plantje, weet je meteen dat de zomer op zijn hoogtepunt is. Maar hoe vaak passeren we zo'n uitgedoste slootkant zonder er acht op te slaan ? Nochtans kan de plant 1,5 meter hoog worden, dus een echte aandachtstrekker. Angustifolium = smalbladig en de bloemen zijn proterandisch wat wil zeggen dat de meeldraden eerder rijp zijn dan de stempels. Het wilgenroosje is een zonaanbidder. Nectarplant voor o.a de citroenvlinder (afbeelding), atalanta en klein geaderd witje.  

Een veel minder opvallend maar ook talrijk plantje is het harig wilgenroosje. Evenals het wilgenroosje een vertegenwoordiger uit de teunisbloemfamilie. Toch is er geen consensus in de florawereld over de afbakening van het geslacht. Opvallend zijn de 4 witte stempels die een kruis vormen over de bloem. De plant heeft een zeer lange wortelstok en de stengel is ruw behaard. De plant dankt zijn naam aan de bladvorm, die veel weg heeft van de wilgenbladeren. De bloem heeft iets van een roos en dat vinden ook de zweden, wat daar heet  de plant Rosendunört (roosdonskruid). Nectarplant voor o.a boomblauwtje (afbeelding) en waardplant voor o.a groot avondrood

                                                     Bitterzoet (Solanum dulcamara)

Bitterzoet komt uit de familie van de nachtschade met rode bessen (giftig). Samen met clematis en lonicera de enige inheemse slingerplant waarvan de stengels houterig worden. De bloemen van bitterzoet ruiken heerlijk, maar de plant krijgt weinig bezoek, want de bloemen bevatten geen honing. De kruisbestuiving gebeurt door vliegen die aan de bloem likken. De bitterzoetmot legt zijn eieren op de bladeren en als die uitkomen, ontstaan de typische blaren en verkleuring op het blad. Je zou mogelijk verwachten dat het kleurencontrast in de bloem de naam beïnvloed heeft, maar de naam komt van de stengel die in beginsel bitter smaakt en een zoete nasmaak heeft. Latijn : dulcamare van dulce = zoet en amaris-= bitter In vroegere tijden werden de zeer giftige bessen gebruikt om kleurstoffen te maken (violet) De stengels hebben een grote geneeskrachtige werking. Ik moet bij een volgende gelegenheid maar eens flink wat stengels tot mij nemen want op "mens en gezondheid" vond ik de volgende passage

"De stengels van bitterzoet zuiveren het bloed en het hele lichaam. Het spijsverteringstelsel wordt door bitterzoetstengels gestimuleerd om slakken sneller af te voeren, het heeft een
vochtafdrijvende werking en er is sprake van een licht laxerende werkzaamheid. De steroïde saponinen in bitterzoet hebben verder een ontsteking werende werking. Verder helpt het bij bloedvicositeit of stroperigheid van het bloed"


                                                                      Stinzenplanten

Franjekelk (Tellima grandiflora)

Overblijvende ossentong (Pentaglottis sempervirens)

Gewone vogelmelk (Ornithogalum umbellatum)

Stins is het fries woord voor (versterkte) adellijke woning, verkort uit stēnhūs [stenen huis]. Stinzenplanten werden in vroegere tijden als sierplanten in deze stinzen gekweekt en zijn later door de eeuwen heen verwilderd. Het begrip stinzen moet men want ruimer zien dan de naam doet vermoeden, want de planten verwilderde ook van niet Friese hoeves, pastorietuinen en landgoederen. Waarom de naamsduiding in het Fries is, is onbekend.  Uiteraard is de stinzenplant geen op zichzelf staande soort maar een verzameling van de meest uiteenlopende soorten. Ik behandel er 3 omdat ik het schitterende planten vind. In een wild stukje natuur langs het Bels Lijntje vond ik de franjekelk. Deze plant met  doosvruchten komt oorspronkelijk uit noord-Amerika en valt meteen op door de eenzijdige tros bloemen. De bloemen hebben franje-achtige kelkbladen, die soms rozerood verkleuren. In de Florion verspreidingsatlas wordt de plant aangemerkt als zeldzaam. Een verder, niet algemeen plantje is de overblijvende ossentong. Men verwacht zo'n naam niet bij een plantje, maar eerder in slecht lopende slagerij. Ik vond deze plant aan een bosrand in de driehoek Riel-Alphen-Gilze. Hij dankt zijn naam aan de vorm en ruwheid van het blad die gelijkenis vertonen met een ossentong. Ik heb nooit in de os zijn bek gekeken, maar ik neem aan dat het zo is. Oorspronkelijk komt de plant uit Zuidwest-Eurpa. De derde plant die er uitspringt, is de gewone vogelmelk. Deze plant staat op de beschermde lijst. De naam komt uit het Latijn Ornithogalum, ornis = vogel en gala = melk. Waar de naamgeving op zinspeelt is verder onduidelijk. In de volksmond heet deze bloem "ster van Bethlehem" en dat is ook zijn Engelse naam (star of Bethehem)


                                                         Heelblaadje (Pulicaria dysenterica)

Soms ga je als natuurliefhebber ook wel eens de mist in. Het heelblaadje heeft op deze site heel lang als gele kamille te boek gestaan, totdat iemand op Facebook mij de ogen opende. Het heelblaadje heeft veel meer bloemblaadjes dan de gele kamille en bovendien zijn ze veel minder geordend. Zo weer wat geleerd en de eerlijkheid gebied ook nog te zeggen dat heelblaadje mij niet bekend in de oren klonk. Naar het schijnt noemde men in vroegere tijden heel veel planten heelblaadjes (heel van helen = genezen) maar deze plant heeft zijn naam behouden. Zoals de wetenschappelijke naam doet vermoeden heeft de plant een helende werking bij dysenterie, maar dat is een kleine misvatting. De plant schijnt alleen te werken tegen de veroorzaker van dysenterie, de kleerluis.  Het plantje doet ook het vlooienvolkje geen goed, getuige de wetenschappelijke naam pulicaria : van pulex = vlo. De plant is zeldzaam in noordoost Nederland en algemeen tot zeer algemeen in de overige delen van het land.

                                                                     Dovenetels (Lamium)

Dovenetels danken hun naam aan de oude betekenis van het woord doof, "niet scherp", "niet krachtig" en natuurlijk verwijzen ze naar de gelijkende brandnetel. Dovenetels ontberen echter de harige netels met mierenzuur. De bladnerven van dovenetels zijn ook veel verfijnder dan die van de brandnetels. Een leuk weetje is dat het sap van de dovenetels de branding van een gewone netel aanzienlijk vermindert.

          Paarse dovenetel (Lamium purpereum)

Langs het Bels lijntje zag ik in een strook van 30 meter honderden planten. Lang is er niet van te genieten want de gele dovenetel is er alleen in mei en juni. April kan ook al, maar dan moet de lente warm aanvangen. De gevlekte dovenetel is een wat taaiere soort uit de dovenetelfamilie. In volle bloei trof ik die nog November aan op de Kerkendse heide. De plant is onmiskenbaar vanwege de witte streep over het blad. De bloemen zijn ook veel groter dan die van de paarse dovenetel. 

         Gevlekte dovenetel (Lamium maculatum)

Ik ben vaak langs hoenderbeet gefietst zonder het ooit opgemerkt te hebben. Van een afstand dacht ik steeds de paarse dovenetel dan wel hondsdraf te zien. Van dichtbij is het verschil goed te zien. Het blad van hoenderbeet lijkt in tegenstelling tot andere lamiums in de verste verte niet op dat van een brandnetel. Het vocht van de plant zou hoenders bedwelmen, vandaar de naam. Buiten de genoemde dovenetels zijn er nog de brede dovenetel, de ingesneden dovenetel en de gestreepte dovenetel

              Witte dovenetel (Lamium album)

Nederland kent 8 soorten dovenetels waarvan ik er 5 ben tegengekomen.  Zeer algemeen zijn de witte en paarse dovenetel die beide van april tot diep in de herfst te vinden zijn. In zachte winters blijven deze soorten ook nog goed overeind. Zowel de witte als de paarse dovenetel zijn waardplant van de kokermot. Wat minder algemeen is de gele dovenetel die eigenlijk tot het geslacht lamiastrum behoort en wordt gerekend onder de stinzenplanten. In Brabant is ze wisselend algemeen. 

      Gele dovenetel (Lamiastrum galeobdolon)

           Hoenderbeet (Lamium amplexicaule)

                                                                     Verbascum

          Koningskaars (Verbascum thapsus)

Verbascum telt 6 soorten toortsachtige. Toch heeft de naam verbascum niets met toorts te maken maar met de beharing van de planten. Verbascum is de verbastering van barbascum = de baardige. Het verwijst naar de wolachtige haren waar de bladeren, stengels en meeldraden mee bezet zijn. Dat geldt voor alle 6 soorten, maar bij de koningskaars is die het meest weelderig. De naam toorts of kaars is tweeledig. Ten eerste slaat het op de statige verschijning van de planten, die tot wel 3 meter hoog kunnen worden, en ten tweede  werden de planten vroeger, gedoopt in pek of hars, gebruikt als fakkel.  In het zuiden van Nederland is de koningskaars zeer algemeen en hoe noordelijker men gaat hoe minder talrijk ze wordt.

            Zwarte toorts (Verbascum nigrum)

Een tweede verbascum soort is de zwarte toorts. Eigenlijk jammer dat deze plant zijn naam dankt  aan de periode dat ze uitgebloeid is, want het zwart slaat op de kleur van de verdroogde stengel, terwijl de plant in vol ornaat een lust voor het oog is. Door de purperrode vlek aan de basis van de kroonbladen is ze met geen andere verbascum te verwarren. Het is de waardplant van de zeldzame kuifvlinder (nachtvlinder) De overige verbascum soorten zijn de keizerskaars, het mottenkruid, de melige toorts en de stalkaars. Van de bladeren van de stalkaars kan men thee trekken die goed schijnt te helpen bij aandoeningen van de luchtwegen. In vroegere tijden werden de stalkaars en koningskaars ook gebruikt om textiel geel te verven.

                                                            Tormentil (Potentilla erecta)

Een opmerkelijk plantje vond ik deze zomer op de Regte heide. Op een strook van 100 meter stonden ze weelderig aan weerszijde van een zandpad. Daarna heb ik het plantje nergens meer gezien. De flora van Nederland geeft hem voor Brabant als algemeen op vooral mineraalarme gronden (zoals heidegrond) Op de Kerkendse hei ben ik het plantje echter niet tegengekomen en bij de heide van het Belvertsven evenmin. Tormentil is samen met de kruipganzerik de enige uit de ganzerikfamilie met 4 kroonblaadjes. Kruipganzerik heeft behaarde stengels, tormentil niet. Tormentil komt uit het latijn tormentum dat kwelling betekent. Het plantje is bepaald geen kwelling om te zien, maar het werd vroeger gebruikt tegen buikkrampen, diarree enzovoort. Tormentil is ook een adjuvans. Een adjuvans is een is een stof die de geneeskracht van andere stoffen versterkt zonder zelf geneeskrachtig te zijn. De lijst van medicinaal gebruik van tormentil is indrukwekkend. Zijn wetenschappelijk naam refereert ook aan die geneeskracht, potentilla is het verkleinwoord van potens = krachtig. Een leerdicht uit 1621 van Hondius geeft in die tijd al een beeld van de bekendheid van de geneeskracht van tormentil.
                                                      Soo mijn neuse vooren an
                                                      Al den loop niet stoppen can
                                                      Van haer gootkens en fonteynenl
                                                      En het bloet my sonder meynen
                                                      Henen loopt, en wil verlaten:
                                                     Tormentille seer begeert.

                                                         Kaasjeskruiden (malvaseae)

          Groot kaasjeskruid  (Malva sylvestris)

         Muskuskaasjeskruid (Malva moschata)

De kaasjeskruidfamilie kent 6 vertegenwoordigers in Nederland. Het muskuskaasjeskruid is aan een opmars bezig, want in de bermen die ik dagelijks op mijn fiets voorbij zoef is het goed vertegenwoordigd. De bloem riekt sterk naar muskus en daar dankt het zijn naam aan. Hoewel kaasjeskruid in zijn algemeenheid zijn naam dankt aan de vorm van de vrucht die op een ronde platte kaas doet denken. Ook kaasjeskruid heeft zich door de eeuwen heen verdienstelijk gemaakt in de geneeskunde, getuige het predicaat : herba omniumorbium ("het kruid voor allerlei ziekten") Eenvoudig te onderscheiden zijn ze niet. Het groot en klein kaasjeskruid lijken erg op elkaar, behalve dan dat het groot kaasjeskruid een slag groter is. De plant die ik als groot kaasjeskruid meen gefotografeerd te hebben, was meer dan een meter hoog. Dat zal het klein kaasjeskruid niet halen. Als je de verschillende verhalen uit vervlogen tijden erop naleest is het kruid al heel lang bekend vanwege zijn geneeskracht. Uit een spreekwoordenboek uit 1727 komt de volgende passage, waarbij maluw de oude benaming is voor kaasjeskruid.

'De maluw heet dus in 'latijn, gelijk men acht,
Omdat zij zonderling, gebruikt, den buik verzacht.

Haar wortel zal, geschraapt, den darmen ledig maken!
En vrouwen aan den vloed der stonden doen geraken

Behalve de genoemde soorten kaasjeskruid komen in Nederland ook nog het kleinbloemig kaasjeskruid, rond kaasjeskruid en vijfdelig kaasjeskruid voor. Deze 3 soorten worden door de FLORON verspreidingsatlas allen als zeldzaam tot zeer zeldzaam betiteld. Hoewel de voorkeurswaardplant van de distelvlinder vanzelfsprekend (veder)distels zijn, is deze ook soms te zien op muskuskaaskruid.

                                                              De hond in plantennamen

                    Hondsroos (Rosa canina)

Ik zou er voorstander van zijn hondskruid te herbenoemen want in de huidige betekenis verdient zoveel schoonheid die benaming niet. Hondsroos zal bij de meeste beter bekend zijn als de voortbrenger van de rozenbottel. De vitamine C vrucht bij uitstek. Ik herinner me, uit mijn
jeugdjaren, nog wel het groene flesje Roosvicee op de aanrecht met het rozenbottelextract. Hondsroos heeft witte tot roze bloemen die in het begin van de zomer bloeien. Tegen die tijd doet ook de rozenkever zijn intrede en dat is
geen graag geziene gast. Rozenkevers kunnen een nachtmerrie zijn voor tuinliefhebbers.

                        Rozenkever

Dus letterlijk zweerrank. omdat de plant een helende werking heeft bij zwerende en etterende wonden. Hondsdraf groeit vaak in de nabijheid van brandnetels en wie zich ooit mocht branden aan de netels kan direct het sap van de hondsdraf erop smeren want dat brengt onmiddellijk verlichting. De wetenschappelijke naam hederacea verwijst naar de klimop familie. In het Italiaans heet de plant dan ook  "ellera terrestre comune",  dat letterlijk vertaalt "algemene grondklimop" betekent. Hondsdraf is goed te eten, in een salade of men kan er thee van trekken. Het plantje houdt de wetenschap bezig want in 2011 ontdekte 2 Koreaanse onderzoekers nog 2 onbekende ontstekingsremmers in het plantje. Zouden die mij destijds van mijn kiespijn afgeholpen hebben ?


Rosa canina betekent "roos van de hond" of "hondsroos" en de plant dankt zijn naam eraan omdat vroeger de wortel werd gebruikt tegen beten van dolle honden. Het woord "hond" wordt echter niet altijd zo positief gebruikt in de benaming. Vaak heeft het woord hond een negatieve lading, zoals in hondskruid, waarmee men de nutteloosheid van de plant wilde aangeven. Noch eetbaar, noch enig medicinaal nut. Het is een teken dat de mensheid in vroegere
tijden veel uit de natuur haalde en naamgeving koppelde aan bruikbaarheid én dat honden
volstrekt anders gezien werden dan heden ten dagen.

                              Rozenbottels

Vooral de engerlingen kunnen een heel grasveld slopen en als die het niet doen, dan de vogels die deze larven bijzonder lekker vinden. Ook kleinfruit, jonge bomen en siergewassen kunnen hevig lijden onder de rozenkever.Ik had vroeger een extreme angst voor de tandarts en weet me nog te herinneren dat het sap van de hondsdraf mij van mijn kiespijn af hielp.Natuurlijk betrekkelijk want op enig tijdstip ben je toch de Sjaak want tegen kiespijn helpt uiteindelijk maar een remedie: de tandarts. Hondsdraf komt uit de familie van de labiatae, de kruidenfamile bij uitstek waaronder ook tijm,salie, munt en rozemarijn vallen. Anders dan de naam doet vermoeden heeft hondsdraf niets met honden te maken, maar is het een verre verbastering van het Oudhoogduits "gundreba" dat verbasterde naar gondtdrave. Gont = zweer en rave= rank. 

             Hondsdraf (Glechoma hederacea)